NL: schransenSynoniemen: brassen, buffelen, slempen, vreten, zwelgen, schranzen, opeten, nuttigen, eten, consumeren, bunkeren, verorberen, schrokken, bikken
EN: gormandize
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geschranst
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik schrans jij schranst hij schranst wij schransen jullie schransen zij schransen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geschranst jij hebt geschranst hij heeft geschranst wij hebben geschranst jullie hebben geschranst zij hebben geschranst
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik schranste jij schranste hij schranste wij schransten jullie schransten zij schransten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geschranst jij had geschranst hij had geschranst wij hadden geschranst jullie hadden geschranst zij hadden geschranst
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal schransen jij zult schransen hij zal schransen wij zullen schransen jullie zullen schransen zij zullen schransen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geschranst hebben jij zult geschranst hebben hij zal geschranst hebben wij zullen geschranst hebben jullie zullen geschranst hebben zij zullen geschranst hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou schransen jij zou schransen hij zou schransen wij zouden schransen jullie zouden schransen zij zouden schransen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geschranst hebben jij zou geschranst hebben hij zou geschranst hebben wij zouden geschranst hebben jullie zouden geschranst hebben zij zouden geschranst hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
schrans
|