NL: scherpenSynoniemen: oefenen, slijpen, wetten, aanzetten
DE: scherpen (wetten): schärfen, wetzen, schleifen, abschleifen
EN: scherpen (wetten): grind, whet, strop, sharpen
ES: scherpen (wetten): afilar
FR: scherpen (wetten): affûter, tailler, aiguiser, polir, affiler, limer
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gescherpt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik scherp jij scherpt hij scherpt wij scherpen jullie scherpen zij scherpen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gescherpt jij hebt gescherpt hij heeft gescherpt wij hebben gescherpt jullie hebben gescherpt zij hebben gescherpt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik scherpte jij scherpte hij scherpte wij scherpten jullie scherpten zij scherpten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gescherpt jij had gescherpt hij had gescherpt wij hadden gescherpt jullie hadden gescherpt zij hadden gescherpt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal scherpen jij zult scherpen hij zal scherpen wij zullen scherpen jullie zullen scherpen zij zullen scherpen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gescherpt hebben jij zult gescherpt hebben hij zal gescherpt hebben wij zullen gescherpt hebben jullie zullen gescherpt hebben zij zullen gescherpt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou scherpen jij zou scherpen hij zou scherpen wij zouden scherpen jullie zouden scherpen zij zouden scherpen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gescherpt hebben jij zou gescherpt hebben hij zou gescherpt hebben wij zouden gescherpt hebben jullie zouden gescherpt hebben zij zouden gescherpt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
scherp
|