NL: schenkenSynoniemen: schenken, cadeau geven, cadeau doen
DE: geben, weggeben, fortgeben, hingeben, verschenken
EN: grant, bestow, offer, give, give a present
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geschonken
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik schenk jij schenkt hij schenkt wij schenken jullie schenken zij schenken
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geschonken jij hebt geschonken hij heeft geschonken wij hebben geschonken jullie hebben geschonken zij hebben geschonken
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik schonk jij schonk hij schonk wij schonken jullie schonken zij schonken
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geschonken jij had geschonken hij had geschonken wij hadden geschonken jullie hadden geschonken zij hadden geschonken
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal schenken jij zult schenken hij zal schenken wij zullen schenken jullie zullen schenken zij zullen schenken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geschonken hebben jij zult geschonken hebben hij zal geschonken hebben wij zullen geschonken hebben jullie zullen geschonken hebben zij zullen geschonken hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou schenken jij zou schenken hij zou schenken wij zouden schenken jullie zouden schenken zij zouden schenken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geschonken hebben jij zou geschonken hebben hij zou geschonken hebben wij zouden geschonken hebben jullie zouden geschonken hebben zij zouden geschonken hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
schenk
|
DE: schenkenSynoniemen: geben, weggeben, fortgeben, hingeben, verschenken
NL: schenken, cadeau geven, cadeau doen
EN: grant, bestow, offer, give, give a present
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
geschenkt schenkend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich schenke du schenkst er schenkt wir schenken ihr schenkt sie; Sie schenken
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe geschenkt du hast geschenkt er hat geschenkt wir haben geschenkt ihr habt geschenkt sie; Sie haben geschenkt
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich schenkte du schenktest er schenkte wir schenkten ihr schenktet sie; Sie schenkten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte geschenkt du hattest geschenkt er hatte geschenkt wir hatten geschenkt ihr hattet geschenkt sie; Sie hatten geschenkt
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde schenken du wirst schenken er wird schenken wir werden schenken ihr werdet schenken sie; Sie werden schenken
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde geschenkt haben du wirst geschenkt haben er wird geschenkt haben wir werden geschenkt haben ihr werdet geschenkt haben sie; Sie werden geschenkt haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich schenke du schenkest er schenke wir schenken ihr schenket sie; Sie schenken
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe geschenkt du habest geschenkt er habe geschenkt wir haben geschenkt ihr habet geschenkt sie; Sie haben geschenkt
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich schenkte du schenktest er schenkte wir schenkten ihr schenktet sie; Sie schenkten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte geschenkt du hättest geschenkt er hätte geschenkt wir hätten geschenkt ihr hättet geschenkt sie; Sie hätten geschenkt
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde schenken du würdest schenken er würde schenken wir würden schenken ihr würdet schenken sie; Sie würden schenken
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde geschenkt haben du würdest geschenkt haben er würde geschenkt haben wir würden geschenkt haben ihr würdet geschenkt haben sie; Sie würden geschenkt haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du schenke
|