NL: schemerenSynoniemen: donkeren, doorschemeren, schemerlicht, schemering, schemerdonker, schemer, halfdonker, deemstering
EN: schemeren (avond worden): become dusk
FR: schemeren (avond worden): commencer à se faire nuit
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geschemerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik schemer jij schemert hij schemert wij schemeren jullie schemeren zij schemeren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geschemerd jij hebt geschemerd hij heeft geschemerd wij hebben geschemerd jullie hebben geschemerd zij hebben geschemerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik schemerde jij schemerde hij schemerde wij schemerden jullie schemerden zij schemerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geschemerd jij had geschemerd hij had geschemerd wij hadden geschemerd jullie hadden geschemerd zij hadden geschemerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal schemeren jij zult schemeren hij zal schemeren wij zullen schemeren jullie zullen schemeren zij zullen schemeren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geschemerd hebben jij zult geschemerd hebben hij zal geschemerd hebben wij zullen geschemerd hebben jullie zullen geschemerd hebben zij zullen geschemerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou schemeren jij zou schemeren hij zou schemeren wij zouden schemeren jullie zouden schemeren zij zouden schemeren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geschemerd hebben jij zou geschemerd hebben hij zou geschemerd hebben wij zouden geschemerd hebben jullie zouden geschemerd hebben zij zouden geschemerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
schemer
|