NL: scheidenSynoniemen: scheiden, uit elkaar gaan
DE: absondern, aussondern, abtrennen, isolieren, sondern, trennen
EN: divorce
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gescheiden
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik scheid jij scheidt hij scheidt wij scheiden jullie scheiden zij scheiden
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gescheiden jij hebt gescheiden hij heeft gescheiden wij hebben gescheiden jullie hebben gescheiden zij hebben gescheiden
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik scheidde jij scheidde hij scheidde wij scheidden jullie scheidden zij scheidden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gescheiden jij had gescheiden hij had gescheiden wij hadden gescheiden jullie hadden gescheiden zij hadden gescheiden
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal scheiden jij zult scheiden hij zal scheiden wij zullen scheiden jullie zullen scheiden zij zullen scheiden
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gescheiden hebben jij zult gescheiden hebben hij zal gescheiden hebben wij zullen gescheiden hebben jullie zullen gescheiden hebben zij zullen gescheiden hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou scheiden jij zou scheiden hij zou scheiden wij zouden scheiden jullie zouden scheiden zij zouden scheiden
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gescheiden hebben jij zou gescheiden hebben hij zou gescheiden hebben wij zouden gescheiden hebben jullie zouden gescheiden hebben zij zouden gescheiden hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
scheid
|
DE: scheidenSynoniemen: absondern, aussondern, abtrennen, isolieren, sondern, trennen
NL: scheiden, uit elkaar gaan
EN: divorce
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
geschieden scheidend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich scheide du scheidest er scheidet wir scheiden ihr scheidet sie; Sie scheiden
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe geschieden du hast geschieden er hat geschieden wir haben geschieden ihr habt geschieden sie; Sie haben geschieden
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich schied du schiedest er schied wir schieden ihr schiedet sie; Sie schieden
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte geschieden du hattest geschieden er hatte geschieden wir hatten geschieden ihr hattet geschieden sie; Sie hatten geschieden
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde scheiden du wirst scheiden er wird scheiden wir werden scheiden ihr werdet scheiden sie; Sie werden scheiden
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde geschieden haben du wirst geschieden haben er wird geschieden haben wir werden geschieden haben ihr werdet geschieden haben sie; Sie werden geschieden haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich scheide du scheidest er scheide wir scheiden ihr scheidet sie; Sie scheiden
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe geschieden du habest geschieden er habe geschieden wir haben geschieden ihr habet geschieden sie; Sie haben geschieden
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich schiede du schiedest er schiede wir schieden ihr schiedet sie; Sie schieden
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte geschieden du hättest geschieden er hätte geschieden wir hätten geschieden ihr hättet geschieden sie; Sie hätten geschieden
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde scheiden du würdest scheiden er würde scheiden wir würden scheiden ihr würdet scheiden sie; Sie würden scheiden
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde geschieden haben du würdest geschieden haben er würde geschieden haben wir würden geschieden haben ihr würdet geschieden haben sie; Sie würden geschieden haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du scheide
|