NL: schaterenSynoniemen: gieren, lachen
EN: schateren (lachen): laugh, roar with laughter, chuckle
ES: schateren (lachen): reír, reírse
FR: schateren (lachen): rigoler, rire aux éclats, se tordre de rire
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geschaterd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik schater jij schatert hij schatert wij schateren jullie schateren zij schateren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geschaterd jij hebt geschaterd hij heeft geschaterd wij hebben geschaterd jullie hebben geschaterd zij hebben geschaterd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik schaterde jij schaterde hij schaterde wij schaterden jullie schaterden zij schaterden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geschaterd jij had geschaterd hij had geschaterd wij hadden geschaterd jullie hadden geschaterd zij hadden geschaterd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal schateren jij zult schateren hij zal schateren wij zullen schateren jullie zullen schateren zij zullen schateren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geschaterd hebben jij zult geschaterd hebben hij zal geschaterd hebben wij zullen geschaterd hebben jullie zullen geschaterd hebben zij zullen geschaterd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou schateren jij zou schateren hij zou schateren wij zouden schateren jullie zouden schateren zij zouden schateren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geschaterd hebben jij zou geschaterd hebben hij zou geschaterd hebben wij zouden geschaterd hebben jullie zouden geschaterd hebben zij zouden geschaterd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
schater
|