NL: scharrelenSynoniemen: aanrotzooien, gaan, handelen, krabbelen, rommelen, stropen, rotzooien, knoeien, aanrommelen, flirten, vrijen
DE: scharrelen (aan de scharrel zijn): flirten, liebäugeln mit
EN: scharrelen (aan de scharrel zijn): flirt, be on the make, fool around
ES: scharrelen (aan de scharrel zijn): liar, mariposear, hacer lío, coquetear, flirtear
FR: scharrelen (aan de scharrel zijn): flirter, courailler
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gescharreld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik scharrel jij scharrelt hij scharrelt wij scharrelen jullie scharrelen zij scharrelen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gescharreld jij hebt gescharreld hij heeft gescharreld wij hebben gescharreld jullie hebben gescharreld zij hebben gescharreld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik scharrelde jij scharrelde hij scharrelde wij scharrelden jullie scharrelden zij scharrelden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gescharreld jij had gescharreld hij had gescharreld wij hadden gescharreld jullie hadden gescharreld zij hadden gescharreld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal scharrelen jij zult scharrelen hij zal scharrelen wij zullen scharrelen jullie zullen scharrelen zij zullen scharrelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gescharreld hebben jij zult gescharreld hebben hij zal gescharreld hebben wij zullen gescharreld hebben jullie zullen gescharreld hebben zij zullen gescharreld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou scharrelen jij zou scharrelen hij zou scharrelen wij zouden scharrelen jullie zouden scharrelen zij zouden scharrelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gescharreld hebben jij zou gescharreld hebben hij zou gescharreld hebben wij zouden gescharreld hebben jullie zouden gescharreld hebben zij zouden gescharreld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
scharrel
|