|
|
| |
schaden vervoegen
|
DE: schaden
NL: schadenSynoniemen: kwaad kunnen
DE: Abbruch, Nachteil, Verlust, Fehler, Mangel, Defekt, Makel, Manko, Minus, Schwäche, Unzulänglichkeit, Schädigung, Beschädigung, Blechschaden, Feuerschaden, Havarie, Sachschaden, Schadstelle, Wasserschaden, benachteiligen, diskriminieren, schädigen, Sc FR: le détriment, le dommage U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
| | Voltooid deelwoord | | Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` | geschaad
| | Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) | | Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. | ik schaad jij schaadt hij schaadt wij schaden jullie schaden zij schaden
| | Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) | | Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. | ik heb geschaad jij hebt geschaad hij heeft geschaad wij hebben geschaad jullie hebben geschaad zij hebben geschaad
| | Onvoltooid verleden tijd (ovt) | | Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. | ik schaadde jij schaadde hij schaadde wij schaadden jullie schaadden zij schaadden
| | Voltooid verleden tijd (vvt) | | wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. | ik had geschaad jij had geschaad hij had geschaad wij hadden geschaad jullie hadden geschaad zij hadden geschaad
| | Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) | | Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. | ik zal schaden jij zult schaden hij zal schaden wij zullen schaden jullie zullen schaden zij zullen schaden
| | Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) | | Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. | ik zal geschaad hebben jij zult geschaad hebben hij zal geschaad hebben wij zullen geschaad hebben jullie zullen geschaad hebben zij zullen geschaad hebben
| | Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) | | Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. | ik zou schaden jij zou schaden hij zou schaden wij zouden schaden jullie zouden schaden zij zouden schaden
| | Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) | | Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. | ik zou geschaad hebben jij zou geschaad hebben hij zou geschaad hebben wij zouden geschaad hebben jullie zouden geschaad hebben zij zouden geschaad hebben
| | Gebiedende wijs | | bv. `Ga weg!` | schaad
|
DE: schadenSynoniemen: Abbruch, Nachteil, Verlust, Fehler, Mangel, Defekt, Makel, Manko, Minus, Schwäche, Unzulänglichkeit, Schädigung, Beschädigung, Blechschaden, Feuerschaden, Havarie, Sachschaden, Schadstelle, Wasserschaden, benachteiligen, diskriminieren, schädigen, Sc
NL: kwaad kunnen FR: le détriment, le dommage | Partizip Perfekt & Präsens | `Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) | geschadet schadend
| | Indikativ Präsens | | der Indikativ = aantonende wijs | ich schade du schadest er schadet wir schaden ihr schadet sie; Sie schaden
| | Indikativ Perfekt | | der Indikativ = aantonende wijs | ich habe geschadet du hast geschadet er hat geschadet wir haben geschadet ihr habt geschadet sie; Sie haben geschadet
| | Indikativ Präteritum | | der Indikativ = aantonende wijs | ich schadete du schadetest er schadete wir schadeten ihr schadetet sie; Sie schadeten
| | Indikativ Plusquamperfekt | | der Indikativ = aantonende wijs | ich hatte geschadet du hattest geschadet er hatte geschadet wir hatten geschadet ihr hattet geschadet sie; Sie hatten geschadet
| | Indikativ Futur I | | der Indikativ = aantonende wijs | ich werde schaden du wirst schaden er wird schaden wir werden schaden ihr werdet schaden sie; Sie werden schaden
| | Indikativ Futur II | | der Indikativ = aantonende wijs | ich werde geschadet haben du wirst geschadet haben er wird geschadet haben wir werden geschadet haben ihr werdet geschadet haben sie; Sie werden geschadet haben
| | Konjunktiv I Präsens | | der Konjunktiv = aanvoegende wijs | ich schade du schadest er schade wir schaden ihr schadet sie; Sie schaden
| | Konjunktiv I Perfekt | | der Konjunktiv = aanvoegende wijs | ich habe geschadet du habest geschadet er habe geschadet wir haben geschadet ihr habet geschadet sie; Sie haben geschadet
| | Konjunktiv II Präsens | | der Konjunktiv = aanvoegende wijs | ich schadete du schadetest er schadete wir schadeten ihr schadetet sie; Sie schadeten
| | Konjunktiv II Perfekt | | der Konjunktiv = aanvoegende wijs | ich hätte geschadet du hättest geschadet er hätte geschadet wir hätten geschadet ihr hättet geschadet sie; Sie hätten geschadet
| | Konjunktiv II Futur I | | der Konjunktiv = aanvoegende wijs | ich würde schaden du würdest schaden er würde schaden wir würden schaden ihr würdet schaden sie; Sie würden schaden
| | Konjunktiv II Futur II | | der Konjunktiv = aanvoegende wijs | ich würde geschadet haben du würdest geschadet haben er würde geschadet haben wir würden geschadet haben ihr würdet geschadet haben sie; Sie würden geschadet haben
| | der Imperativ | | der Imperativ = gebiedende wijs | du schade
|
Directe link naar deze pagina:http://www.mijnwoordenboek.nl/werkwoord/schadenWerkwoorden A tot (en met) Z
Nederlandse werkwoorden
A
B
C
D
E
F
G
H
I
J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y
Z
Duitse werkwoorden
A
B
C
D
E
F
G
H
I
J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y
Z
Engelse werkwoorden
A
B
C
D
E
F
G
H
I
J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y
Z
Franse werkwoorden
A
B
C
D
E
F
G
H
I
J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y
Z
Spaanse werkwoorden
A
B
C
D
E
F
G
H
I
J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y
Z
|
Synoniemen
Vervoegen
Puzzelwoordenboek
Woorden.org
Encyclo.nl
|