NL: schaatsenSynoniemen: rijden, schaatsenrijden, wintersport, doorlopers
DE: Schlittschuhlaufen
EN: skate
ES: patinar
FR: faire du patin à glace, patiner, faire du patin
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geschaatst
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik schaats jij schaatst hij schaatst wij schaatsen jullie schaatsen zij schaatsen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geschaatst jij hebt geschaatst hij heeft geschaatst wij hebben geschaatst jullie hebben geschaatst zij hebben geschaatst
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik schaatste jij schaatste hij schaatste wij schaatsten jullie schaatsten zij schaatsten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geschaatst jij had geschaatst hij had geschaatst wij hadden geschaatst jullie hadden geschaatst zij hadden geschaatst
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal schaatsen jij zult schaatsen hij zal schaatsen wij zullen schaatsen jullie zullen schaatsen zij zullen schaatsen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geschaatst hebben jij zult geschaatst hebben hij zal geschaatst hebben wij zullen geschaatst hebben jullie zullen geschaatst hebben zij zullen geschaatst hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou schaatsen jij zou schaatsen hij zou schaatsen wij zouden schaatsen jullie zouden schaatsen zij zouden schaatsen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geschaatst hebben jij zou geschaatst hebben hij zou geschaatst hebben wij zouden geschaatst hebben jullie zouden geschaatst hebben zij zouden geschaatst hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
schaats
|