NL: schaakspelenSynoniemen: schaken
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
schaakgespeeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik speel schaak jij speelt schaak hij speelt schaak wij spelen schaak jullie spelen schaak zij spelen schaak
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb schaakgespeeld jij hebt schaakgespeeld hij heeft schaakgespeeld wij hebben schaakgespeeld jullie hebben schaakgespeeld zij hebben schaakgespeeld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik speelde schaak jij speelde schaak hij speelde schaak wij speelden schaak jullie speelden schaak zij speelden schaak
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had schaakgespeeld jij had schaakgespeeld hij had schaakgespeeld wij hadden schaakgespeeld jullie hadden schaakgespeeld zij hadden schaakgespeeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal schaakspelen jij zult schaakspelen hij zal schaakspelen wij zullen schaakspelen jullie zullen schaakspelen zij zullen schaakspelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal schaakgespeeld hebben jij zult schaakgespeeld hebben hij zal schaakgespeeld hebben wij zullen schaakgespeeld hebben jullie zullen schaakgespeeld hebben zij zullen schaakgespeeld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou schaakspelen jij zou schaakspelen hij zou schaakspelen wij zouden schaakspelen jullie zouden schaakspelen zij zouden schaakspelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou schaakgespeeld hebben jij zou schaakgespeeld hebben hij zou schaakgespeeld hebben wij zouden schaakgespeeld hebben jullie zouden schaakgespeeld hebben zij zouden schaakgespeeld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
speel schaak
|