NL: sausenSynoniemen: suizen, ruisen, suizelen
EN: sough, rustle
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gesaust
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik saus jij saust hij saust wij sausen jullie sausen zij sausen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gesaust jij hebt gesaust hij heeft gesaust wij hebben gesaust jullie hebben gesaust zij hebben gesaust
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik sauste jij sauste hij sauste wij sausten jullie sausten zij sausten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gesaust jij had gesaust hij had gesaust wij hadden gesaust jullie hadden gesaust zij hadden gesaust
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal sausen jij zult sausen hij zal sausen wij zullen sausen jullie zullen sausen zij zullen sausen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gesaust hebben jij zult gesaust hebben hij zal gesaust hebben wij zullen gesaust hebben jullie zullen gesaust hebben zij zullen gesaust hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou sausen jij zou sausen hij zou sausen wij zouden sausen jullie zouden sausen zij zouden sausen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gesaust hebben jij zou gesaust hebben hij zou gesaust hebben wij zouden gesaust hebben jullie zouden gesaust hebben zij zouden gesaust hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
saus
|
DE: sausenNL: suizen, ruisen, suizelen
EN: sough, rustle
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
gesaust sausend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich sause du saust er saust wir sausen ihr saust sie; Sie sausen
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe gesaust du hast gesaust er hat gesaust wir haben gesaust ihr habt gesaust sie; Sie haben gesaust
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich sauste du saustest er sauste wir sausten ihr saustet sie; Sie sausten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte gesaust du hattest gesaust er hatte gesaust wir hatten gesaust ihr hattet gesaust sie; Sie hatten gesaust
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde sausen du wirst sausen er wird sausen wir werden sausen ihr werdet sausen sie; Sie werden sausen
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde gesaust haben du wirst gesaust haben er wird gesaust haben wir werden gesaust haben ihr werdet gesaust haben sie; Sie werden gesaust haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich sause du sausest er sause wir sausen ihr sauset sie; Sie sausen
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe gesaust du habest gesaust er habe gesaust wir haben gesaust ihr habet gesaust sie; Sie haben gesaust
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich sauste du saustest er sauste wir sausten ihr saustet sie; Sie sausten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte gesaust du hättest gesaust er hätte gesaust wir hätten gesaust ihr hättet gesaust sie; Sie hätten gesaust
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde sausen du würdest sausen er würde sausen wir würden sausen ihr würdet sausen sie; Sie würden sausen
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde gesaust haben du würdest gesaust haben er würde gesaust haben wir würden gesaust haben ihr würdet gesaust haben sie; Sie würden gesaust haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du sause
|