NL: sarrenSynoniemen: jennen, pesten, plagen, stangen, tarten, tergen, treiteren, uitdagen, zieken, narren, kwellen, koeioneren
DE: ärgern, provozieren, triezen, striezen, piesacken, schikanieren, reizen, zusetzen
EN: nag
ES: provocar, fastidiar, irritar, hacer rabiar
FR: harceler, taquiner, enquiquiner, irriter, asticoter, agacer
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gesard
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik sar jij sart hij sart wij sarren jullie sarren zij sarren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gesard jij hebt gesard hij heeft gesard wij hebben gesard jullie hebben gesard zij hebben gesard
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik sarde jij sarde hij sarde wij sarden jullie sarden zij sarden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gesard jij had gesard hij had gesard wij hadden gesard jullie hadden gesard zij hadden gesard
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal sarren jij zult sarren hij zal sarren wij zullen sarren jullie zullen sarren zij zullen sarren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gesard hebben jij zult gesard hebben hij zal gesard hebben wij zullen gesard hebben jullie zullen gesard hebben zij zullen gesard hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou sarren jij zou sarren hij zou sarren wij zouden sarren jullie zouden sarren zij zouden sarren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gesard hebben jij zou gesard hebben hij zou gesard hebben wij zouden gesard hebben jullie zouden gesard hebben zij zouden gesard hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
sar
|