NL: sappelenSynoniemen: ploeteren, zwoegen, sloven, afsloven, afjakkeren, afbeulen
EN: sappelen (zich afsloven): drudge, slave away, work to pieces, work oneself to the bone, slave, put oneself out, go out of one's way
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gesappeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik sappel jij sappelt hij sappelt wij sappelen jullie sappelen zij sappelen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gesappeld jij hebt gesappeld hij heeft gesappeld wij hebben gesappeld jullie hebben gesappeld zij hebben gesappeld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik sappelde jij sappelde hij sappelde wij sappelden jullie sappelden zij sappelden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gesappeld jij had gesappeld hij had gesappeld wij hadden gesappeld jullie hadden gesappeld zij hadden gesappeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal sappelen jij zult sappelen hij zal sappelen wij zullen sappelen jullie zullen sappelen zij zullen sappelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gesappeld hebben jij zult gesappeld hebben hij zal gesappeld hebben wij zullen gesappeld hebben jullie zullen gesappeld hebben zij zullen gesappeld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou sappelen jij zou sappelen hij zou sappelen wij zouden sappelen jullie zouden sappelen zij zouden sappelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gesappeld hebben jij zou gesappeld hebben hij zou gesappeld hebben wij zouden gesappeld hebben jullie zouden gesappeld hebben zij zouden gesappeld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
sappel
|