NL: samenvloeienFR: confluer
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
samengevloeid
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik vloei samen jij vloeit samen hij vloeit samen wij vloeien samen jullie vloeien samen zij vloeien samen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb samengevloeid jij hebt samengevloeid hij heeft samengevloeid wij hebben samengevloeid jullie hebben samengevloeid zij hebben samengevloeid
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik vloeide samen jij vloeide samen hij vloeide samen wij vloeiden samen jullie vloeiden samen zij vloeiden samen
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had samengevloeid jij had samengevloeid hij had samengevloeid wij hadden samengevloeid jullie hadden samengevloeid zij hadden samengevloeid
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal samenvloeien jij zult samenvloeien hij zal samenvloeien wij zullen samenvloeien jullie zullen samenvloeien zij zullen samenvloeien
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal samengevloeid hebben jij zult samengevloeid hebben hij zal samengevloeid hebben wij zullen samengevloeid hebben jullie zullen samengevloeid hebben zij zullen samengevloeid hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou samenvloeien jij zou samenvloeien hij zou samenvloeien wij zouden samenvloeien jullie zouden samenvloeien zij zouden samenvloeien
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou samengevloeid hebben jij zou samengevloeid hebben hij zou samengevloeid hebben wij zouden samengevloeid hebben jullie zouden samengevloeid hebben zij zouden samengevloeid hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
vloei samen
|