NL: samenhokken U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
samengehokt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik hok samen jij hokt samen hij hokt samen wij hokken samen jullie hokken samen zij hokken samen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb samengehokt jij hebt samengehokt hij heeft samengehokt wij hebben samengehokt jullie hebben samengehokt zij hebben samengehokt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik hokte samen jij hokte samen hij hokte samen wij hokten samen jullie hokten samen zij hokten samen
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had samengehokt jij had samengehokt hij had samengehokt wij hadden samengehokt jullie hadden samengehokt zij hadden samengehokt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal samenhokken jij zult samenhokken hij zal samenhokken wij zullen samenhokken jullie zullen samenhokken zij zullen samenhokken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal samengehokt hebben jij zult samengehokt hebben hij zal samengehokt hebben wij zullen samengehokt hebben jullie zullen samengehokt hebben zij zullen samengehokt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou samenhokken jij zou samenhokken hij zou samenhokken wij zouden samenhokken jullie zouden samenhokken zij zouden samenhokken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou samengehokt hebben jij zou samengehokt hebben hij zou samengehokt hebben wij zouden samengehokt hebben jullie zouden samengehokt hebben zij zouden samengehokt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
hok samen
|