NL: samenbindenSynoniemen: verbinden, aaneenbinden
EN: bind, bind together, tie together, tie
ES: encordar, atar, abrochar, abotonar
U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
samengebonden
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik bind samen jij bindt samen hij bindt samen wij binden samen jullie binden samen zij binden samen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb samengebonden jij hebt samengebonden hij heeft samengebonden wij hebben samengebonden jullie hebben samengebonden zij hebben samengebonden
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik bond samen jij bond samen hij bond samen wij bonden samen jullie bonden samen zij bonden samen
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had samengebonden jij had samengebonden hij had samengebonden wij hadden samengebonden jullie hadden samengebonden zij hadden samengebonden
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal samenbinden jij zult samenbinden hij zal samenbinden wij zullen samenbinden jullie zullen samenbinden zij zullen samenbinden
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal samengebonden hebben jij zult samengebonden hebben hij zal samengebonden hebben wij zullen samengebonden hebben jullie zullen samengebonden hebben zij zullen samengebonden hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou samenbinden jij zou samenbinden hij zou samenbinden wij zouden samenbinden jullie zouden samenbinden zij zouden samenbinden
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou samengebonden hebben jij zou samengebonden hebben hij zou samengebonden hebben wij zouden samengebonden hebben jullie zouden samengebonden hebben zij zouden samengebonden hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
bind samen
|