NL: sabbelenSynoniemen: lurken, zabbelen, zuigen
EN: sabbelen (lurken): suck
FR: sabbelen (lurken): sucer, téter, suçoter
U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gesabbeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik sabbel jij sabbelt hij sabbelt wij sabbelen jullie sabbelen zij sabbelen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gesabbeld jij hebt gesabbeld hij heeft gesabbeld wij hebben gesabbeld jullie hebben gesabbeld zij hebben gesabbeld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik sabbelde jij sabbelde hij sabbelde wij sabbelden jullie sabbelden zij sabbelden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gesabbeld jij had gesabbeld hij had gesabbeld wij hadden gesabbeld jullie hadden gesabbeld zij hadden gesabbeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal sabbelen jij zult sabbelen hij zal sabbelen wij zullen sabbelen jullie zullen sabbelen zij zullen sabbelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gesabbeld hebben jij zult gesabbeld hebben hij zal gesabbeld hebben wij zullen gesabbeld hebben jullie zullen gesabbeld hebben zij zullen gesabbeld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou sabbelen jij zou sabbelen hij zou sabbelen wij zouden sabbelen jullie zouden sabbelen zij zouden sabbelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gesabbeld hebben jij zou gesabbeld hebben hij zou gesabbeld hebben wij zouden gesabbeld hebben jullie zouden gesabbeld hebben zij zouden gesabbeld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
sabbel
|