NL: ronselenSynoniemen: werven
EN: crimp
FR: embaucher, recruter, enrôler, racoler
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geronseld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik ronsel jij ronselt hij ronselt wij ronselen jullie ronselen zij ronselen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geronseld jij hebt geronseld hij heeft geronseld wij hebben geronseld jullie hebben geronseld zij hebben geronseld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik ronselde jij ronselde hij ronselde wij ronselden jullie ronselden zij ronselden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geronseld jij had geronseld hij had geronseld wij hadden geronseld jullie hadden geronseld zij hadden geronseld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal ronselen jij zult ronselen hij zal ronselen wij zullen ronselen jullie zullen ronselen zij zullen ronselen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geronseld hebben jij zult geronseld hebben hij zal geronseld hebben wij zullen geronseld hebben jullie zullen geronseld hebben zij zullen geronseld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou ronselen jij zou ronselen hij zou ronselen wij zouden ronselen jullie zouden ronselen zij zouden ronselen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geronseld hebben jij zou geronseld hebben hij zou geronseld hebben wij zouden geronseld hebben jullie zouden geronseld hebben zij zouden geronseld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
ronsel
|