NL: rommelenSynoniemen: donderen, knoeien, prutsen, aanmodderen, grabbelen, graaien
DE: rommelen (in iets rondtasten): grabbeln, wühlen, stöbern, kramen, herumkramen
EN: rommelen (in iets rondtasten): rummage about, grope about, rummage around
FR: rommelen (in iets rondtasten): fouiller, tâtonner, fouiner, farfouiller
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gerommeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik rommel jij rommelt hij rommelt wij rommelen jullie rommelen zij rommelen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gerommeld jij hebt gerommeld hij heeft gerommeld wij hebben gerommeld jullie hebben gerommeld zij hebben gerommeld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik rommelde jij rommelde hij rommelde wij rommelden jullie rommelden zij rommelden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gerommeld jij had gerommeld hij had gerommeld wij hadden gerommeld jullie hadden gerommeld zij hadden gerommeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal rommelen jij zult rommelen hij zal rommelen wij zullen rommelen jullie zullen rommelen zij zullen rommelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gerommeld hebben jij zult gerommeld hebben hij zal gerommeld hebben wij zullen gerommeld hebben jullie zullen gerommeld hebben zij zullen gerommeld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou rommelen jij zou rommelen hij zou rommelen wij zouden rommelen jullie zouden rommelen zij zouden rommelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gerommeld hebben jij zou gerommeld hebben hij zou gerommeld hebben wij zouden gerommeld hebben jullie zouden gerommeld hebben zij zouden gerommeld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
rommel
|