NL: roddelenSynoniemen: babbelen, kletsen, kwaadspreken, lasteren, belasteren
DE: roddelen (kwaadspreken): tratschen, lästern, klatschen
EN: roddelen (kwaadspreken): gossip, speak badly
ES: roddelen (kwaadspreken): maldecir, cotorrear, cotillear, echar pestes, blasfemar, calumniar, comadrear, hablar mal de
FR: roddelen (kwaadspreken): calomnier, médire, déniger, dire du mal sur
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geroddeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik roddel jij roddelt hij roddelt wij roddelen jullie roddelen zij roddelen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geroddeld jij hebt geroddeld hij heeft geroddeld wij hebben geroddeld jullie hebben geroddeld zij hebben geroddeld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik roddelde jij roddelde hij roddelde wij roddelden jullie roddelden zij roddelden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geroddeld jij had geroddeld hij had geroddeld wij hadden geroddeld jullie hadden geroddeld zij hadden geroddeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal roddelen jij zult roddelen hij zal roddelen wij zullen roddelen jullie zullen roddelen zij zullen roddelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geroddeld hebben jij zult geroddeld hebben hij zal geroddeld hebben wij zullen geroddeld hebben jullie zullen geroddeld hebben zij zullen geroddeld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou roddelen jij zou roddelen hij zou roddelen wij zouden roddelen jullie zouden roddelen zij zouden roddelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geroddeld hebben jij zou geroddeld hebben hij zou geroddeld hebben wij zouden geroddeld hebben jullie zouden geroddeld hebben zij zouden geroddeld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
roddel
|