NL: ritselenSynoniemen: knisperen, organiseren, ruisen
DE: ritselen (knisperen): rascheln, knistern
EN: ritselen (knisperen): rustle
FR: ritselen (knisperen): gazouiller, frémir, grouiller, crépiter, susurrer, crisser, grésiller, bruire, se froisser, froufrouter
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geritseld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik ritsel jij ritselt hij ritselt wij ritselen jullie ritselen zij ritselen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geritseld jij hebt geritseld hij heeft geritseld wij hebben geritseld jullie hebben geritseld zij hebben geritseld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik ritselde jij ritselde hij ritselde wij ritselden jullie ritselden zij ritselden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geritseld jij had geritseld hij had geritseld wij hadden geritseld jullie hadden geritseld zij hadden geritseld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal ritselen jij zult ritselen hij zal ritselen wij zullen ritselen jullie zullen ritselen zij zullen ritselen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geritseld hebben jij zult geritseld hebben hij zal geritseld hebben wij zullen geritseld hebben jullie zullen geritseld hebben zij zullen geritseld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou ritselen jij zou ritselen hij zou ritselen wij zouden ritselen jullie zouden ritselen zij zouden ritselen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geritseld hebben jij zou geritseld hebben hij zou geritseld hebben wij zouden geritseld hebben jullie zouden geritseld hebben zij zouden geritseld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
ritsel
|