NL: riskerenSynoniemen: durven, gevaar lopen, wagen, avonturen
DE: riskeren (durven): wagen, riskieren, sich trauen, sich getrauen, sich wagen
EN: riskeren (durven): dare, dare to, adventure, risk
ES: riskeren (durven): osar, atreverse, arriesgar, aventurar, atreverse a, arriesgarse, aventurarse, tener la osadía
FR: riskeren (durven): oser, risquer, hasarder, aventurer
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geriskeerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik riskeer jij riskeert hij riskeert wij riskeren jullie riskeren zij riskeren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geriskeerd jij hebt geriskeerd hij heeft geriskeerd wij hebben geriskeerd jullie hebben geriskeerd zij hebben geriskeerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik riskeerde jij riskeerde hij riskeerde wij riskeerden jullie riskeerden zij riskeerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geriskeerd jij had geriskeerd hij had geriskeerd wij hadden geriskeerd jullie hadden geriskeerd zij hadden geriskeerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal riskeren jij zult riskeren hij zal riskeren wij zullen riskeren jullie zullen riskeren zij zullen riskeren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geriskeerd hebben jij zult geriskeerd hebben hij zal geriskeerd hebben wij zullen geriskeerd hebben jullie zullen geriskeerd hebben zij zullen geriskeerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou riskeren jij zou riskeren hij zou riskeren wij zouden riskeren jullie zouden riskeren zij zouden riskeren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geriskeerd hebben jij zou geriskeerd hebben hij zou geriskeerd hebben wij zouden geriskeerd hebben jullie zouden geriskeerd hebben zij zouden geriskeerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
riskeer
|