NL: risken U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geriskt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik risk jij riskt hij riskt wij risken jullie risken zij risken
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geriskt jij hebt geriskt hij heeft geriskt wij hebben geriskt jullie hebben geriskt zij hebben geriskt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik riskte jij riskte hij riskte wij riskten jullie riskten zij riskten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geriskt jij had geriskt hij had geriskt wij hadden geriskt jullie hadden geriskt zij hadden geriskt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal risken jij zult risken hij zal risken wij zullen risken jullie zullen risken zij zullen risken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geriskt hebben jij zult geriskt hebben hij zal geriskt hebben wij zullen geriskt hebben jullie zullen geriskt hebben zij zullen geriskt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou risken jij zou risken hij zou risken wij zouden risken jullie zouden risken zij zouden risken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geriskt hebben jij zou geriskt hebben hij zou geriskt hebben wij zouden geriskt hebben jullie zouden geriskt hebben zij zouden geriskt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
risk
|