NL: ringenSynoniemen: worstelen, met iemand worstelen
DE: wringen, auswringen, kämpfen, boxen, sich duellieren, sich schlagen
EN: wrestle
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geringd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik ring jij ringt hij ringt wij ringen jullie ringen zij ringen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geringd jij hebt geringd hij heeft geringd wij hebben geringd jullie hebben geringd zij hebben geringd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik ringde jij ringde hij ringde wij ringden jullie ringden zij ringden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geringd jij had geringd hij had geringd wij hadden geringd jullie hadden geringd zij hadden geringd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal ringen jij zult ringen hij zal ringen wij zullen ringen jullie zullen ringen zij zullen ringen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geringd hebben jij zult geringd hebben hij zal geringd hebben wij zullen geringd hebben jullie zullen geringd hebben zij zullen geringd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou ringen jij zou ringen hij zou ringen wij zouden ringen jullie zouden ringen zij zouden ringen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geringd hebben jij zou geringd hebben hij zou geringd hebben wij zouden geringd hebben jullie zouden geringd hebben zij zouden geringd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
ring
|
DE: ringenSynoniemen: wringen, auswringen, kämpfen, boxen, sich duellieren, sich schlagen
NL: worstelen, met iemand worstelen
EN: wrestle
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
gerungen ringend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich ringe du ringst er ringt wir ringen ihr ringt sie; Sie ringen
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe gerungen du hast gerungen er hat gerungen wir haben gerungen ihr habt gerungen sie; Sie haben gerungen
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich rang du rangst er rang wir rangen ihr rangt sie; Sie rangen
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte gerungen du hattest gerungen er hatte gerungen wir hatten gerungen ihr hattet gerungen sie; Sie hatten gerungen
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde ringen du wirst ringen er wird ringen wir werden ringen ihr werdet ringen sie; Sie werden ringen
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde gerungen haben du wirst gerungen haben er wird gerungen haben wir werden gerungen haben ihr werdet gerungen haben sie; Sie werden gerungen haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich ringe du ringest er ringe wir ringen ihr ringet sie; Sie ringen
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe gerungen du habest gerungen er habe gerungen wir haben gerungen ihr habet gerungen sie; Sie haben gerungen
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich ränge du rängest er ränge wir rängen ihr ränget sie; Sie rängen
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte gerungen du hättest gerungen er hätte gerungen wir hätten gerungen ihr hättet gerungen sie; Sie hätten gerungen
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde ringen du würdest ringen er würde ringen wir würden ringen ihr würdet ringen sie; Sie würden ringen
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde gerungen haben du würdest gerungen haben er würde gerungen haben wir würden gerungen haben ihr würdet gerungen haben sie; Sie würden gerungen haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du ringe; ring
|