NL: riekenSynoniemen: geuren, stinken, ruiken, walmen, meuren
DE: rieken (een geur verspreiden): riechen, stinken
EN: rieken (een geur verspreiden): smell
ES: rieken (een geur verspreiden): oler
FR: rieken (een geur verspreiden): fleurer, embaumer, exhaler
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geroken
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik riek jij riekt hij riekt wij rieken jullie rieken zij rieken
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geroken jij hebt geroken hij heeft geroken wij hebben geroken jullie hebben geroken zij hebben geroken
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik rook jij rook hij rook wij roken jullie roken zij roken
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geroken jij had geroken hij had geroken wij hadden geroken jullie hadden geroken zij hadden geroken
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal rieken jij zult rieken hij zal rieken wij zullen rieken jullie zullen rieken zij zullen rieken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geroken hebben jij zult geroken hebben hij zal geroken hebben wij zullen geroken hebben jullie zullen geroken hebben zij zullen geroken hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou rieken jij zou rieken hij zou rieken wij zouden rieken jullie zouden rieken zij zouden rieken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geroken hebben jij zou geroken hebben hij zou geroken hebben wij zouden geroken hebben jullie zouden geroken hebben zij zouden geroken hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
riek
|