NL: revaccineren U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gerevaccineerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik revaccineer jij revaccineert hij revaccineert wij revaccineren jullie revaccineren zij revaccineren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gerevaccineerd jij hebt gerevaccineerd hij heeft gerevaccineerd wij hebben gerevaccineerd jullie hebben gerevaccineerd zij hebben gerevaccineerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik revaccineerde jij revaccineerde hij revaccineerde wij revaccineerden jullie revaccineerden zij revaccineerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gerevaccineerd jij had gerevaccineerd hij had gerevaccineerd wij hadden gerevaccineerd jullie hadden gerevaccineerd zij hadden gerevaccineerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal revaccineren jij zult revaccineren hij zal revaccineren wij zullen revaccineren jullie zullen revaccineren zij zullen revaccineren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gerevaccineerd hebben jij zult gerevaccineerd hebben hij zal gerevaccineerd hebben wij zullen gerevaccineerd hebben jullie zullen gerevaccineerd hebben zij zullen gerevaccineerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou revaccineren jij zou revaccineren hij zou revaccineren wij zouden revaccineren jullie zouden revaccineren zij zouden revaccineren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gerevaccineerd hebben jij zou gerevaccineerd hebben hij zou gerevaccineerd hebben wij zouden gerevaccineerd hebben jullie zouden gerevaccineerd hebben zij zouden gerevaccineerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
revaccineer
|