NL: resulterenSynoniemen: uitkomen, uitlopen, uitmonden, voortvloeien, resultaat, voortspruiten, voortkomen, volgen
DE: führen, erfolgen, folgern, fließen, folgen, hervorgehen, auslaufen, auswirken, gipfeln, erstehen, münden, zur Folge haben, kulminieren, sichergeben
EN: culminate, result in, lead to, end in
FR: résulter, aboutir à, atteindre, culminer
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geresulteerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik resulteer jij resulteert hij resulteert wij resulteren jullie resulteren zij resulteren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geresulteerd jij hebt geresulteerd hij heeft geresulteerd wij hebben geresulteerd jullie hebben geresulteerd zij hebben geresulteerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik resulteerde jij resulteerde hij resulteerde wij resulteerden jullie resulteerden zij resulteerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geresulteerd jij had geresulteerd hij had geresulteerd wij hadden geresulteerd jullie hadden geresulteerd zij hadden geresulteerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal resulteren jij zult resulteren hij zal resulteren wij zullen resulteren jullie zullen resulteren zij zullen resulteren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geresulteerd hebben jij zult geresulteerd hebben hij zal geresulteerd hebben wij zullen geresulteerd hebben jullie zullen geresulteerd hebben zij zullen geresulteerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou resulteren jij zou resulteren hij zou resulteren wij zouden resulteren jullie zouden resulteren zij zouden resulteren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geresulteerd hebben jij zou geresulteerd hebben hij zou geresulteerd hebben wij zouden geresulteerd hebben jullie zouden geresulteerd hebben zij zouden geresulteerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
resulteer
|