NL: resterenSynoniemen: overblijven, verblijven, toeven, resten, blijven
EN: remain, be left
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geresteerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik resteer jij resteert hij resteert wij resteren jullie resteren zij resteren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geresteerd jij hebt geresteerd hij heeft geresteerd wij hebben geresteerd jullie hebben geresteerd zij hebben geresteerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik resteerde jij resteerde hij resteerde wij resteerden jullie resteerden zij resteerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geresteerd jij had geresteerd hij had geresteerd wij hadden geresteerd jullie hadden geresteerd zij hadden geresteerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal resteren jij zult resteren hij zal resteren wij zullen resteren jullie zullen resteren zij zullen resteren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geresteerd hebben jij zult geresteerd hebben hij zal geresteerd hebben wij zullen geresteerd hebben jullie zullen geresteerd hebben zij zullen geresteerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou resteren jij zou resteren hij zou resteren wij zouden resteren jullie zouden resteren zij zouden resteren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geresteerd hebben jij zou geresteerd hebben hij zou geresteerd hebben wij zouden geresteerd hebben jullie zouden geresteerd hebben zij zouden geresteerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
resteer
|