NL: repeterenSynoniemen: herhalen, instuderen, oefenen
EN: rehearse, resume, repeat, practise, redo
ES: repetir, repasar, ensayar
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gerepeteerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik repeteer jij repeteert hij repeteert wij repeteren jullie repeteren zij repeteren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gerepeteerd jij hebt gerepeteerd hij heeft gerepeteerd wij hebben gerepeteerd jullie hebben gerepeteerd zij hebben gerepeteerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik repeteerde jij repeteerde hij repeteerde wij repeteerden jullie repeteerden zij repeteerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gerepeteerd jij had gerepeteerd hij had gerepeteerd wij hadden gerepeteerd jullie hadden gerepeteerd zij hadden gerepeteerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal repeteren jij zult repeteren hij zal repeteren wij zullen repeteren jullie zullen repeteren zij zullen repeteren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gerepeteerd hebben jij zult gerepeteerd hebben hij zal gerepeteerd hebben wij zullen gerepeteerd hebben jullie zullen gerepeteerd hebben zij zullen gerepeteerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou repeteren jij zou repeteren hij zou repeteren wij zouden repeteren jullie zouden repeteren zij zouden repeteren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gerepeteerd hebben jij zou gerepeteerd hebben hij zou gerepeteerd hebben wij zouden gerepeteerd hebben jullie zouden gerepeteerd hebben zij zouden gerepeteerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
repeteer
|