NL: relocaten U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gerelocatet
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik relocate jij relocatet hij relocatet wij relocaten jullie relocaten zij relocaten
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gerelocatet jij hebt gerelocatet hij heeft gerelocatet wij hebben gerelocatet jullie hebben gerelocatet zij hebben gerelocatet
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik relocatete jij relocatete hij relocatete wij relocateten jullie relocateten zij relocateten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gerelocatet jij had gerelocatet hij had gerelocatet wij hadden gerelocatet jullie hadden gerelocatet zij hadden gerelocatet
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal relocaten jij zult relocaten hij zal relocaten wij zullen relocaten jullie zullen relocaten zij zullen relocaten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gerelocatet hebben jij zult gerelocatet hebben hij zal gerelocatet hebben wij zullen gerelocatet hebben jullie zullen gerelocatet hebben zij zullen gerelocatet hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou relocaten jij zou relocaten hij zou relocaten wij zouden relocaten jullie zouden relocaten zij zouden relocaten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gerelocatet hebben jij zou gerelocatet hebben hij zou gerelocatet hebben wij zouden gerelocatet hebben jullie zouden gerelocatet hebben zij zouden gerelocatet hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
relocate
|