Synoniemen

NL | DE | EN | ES | FR

Werkwoorden

Werkwoorden vervoegen

reizen vervoegen

Vul een werkwoord of werkwoordsvorm in van een Nederlands, Duits,
Engels, Frans of Spaans werkwoord.
Bv: denken, dacht, sms'en, sein, have, avoir, être, aller, hablar





DE: reizen

NL: reizen
Synoniemen: bevallen, bekoren

DE: provozieren, herausfordern, ärgern, irritieren, erbosen, triezen, locken, verlocken, bestricken, betören, für sich einnehmen, heranlocken, herbeilocken, verführen, verleiten, anstacheln, anfeuern, anregen, anreizen, anspornen, antreiben, auffordern, a
EN: fascinate, charm, delight, enchant, allure

U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)

Voltooid deelwoord
Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen`
gereisd
Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt.
ik reis
jij reist
hij reist
wij reizen
jullie reizen
zij reizen
Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn.
ik heb gereisd
jij hebt gereisd
hij heeft gereisd
wij hebben gereisd
jullie hebben gereisd
zij hebben gereisd
Onvoltooid verleden tijd (ovt)
Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is.
ik reisde
jij reisde
hij reisde
wij reisden
jullie reisden
zij reisden
Voltooid verleden tijd (vvt)
wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren.
ik had gereisd
jij had gereisd
hij had gereisd
wij hadden gereisd
jullie hadden gereisd
zij hadden gereisd
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden.
ik zal reizen
jij zult reizen
hij zal reizen
wij zullen reizen
jullie zullen reizen
zij zullen reizen
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn.
ik zal gereisd hebben
jij zult gereisd hebben
hij zal gereisd hebben
wij zullen gereisd hebben
jullie zullen gereisd hebben
zij zullen gereisd hebben
Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden.
ik zou reizen
jij zou reizen
hij zou reizen
wij zouden reizen
jullie zouden reizen
zij zouden reizen
Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn.
ik zou gereisd hebben
jij zou gereisd hebben
hij zou gereisd hebben
wij zouden gereisd hebben
jullie zouden gereisd hebben
zij zouden gereisd hebben
Gebiedende wijs
bv. `Ga weg!`
reis


DE: reizen
Synoniemen: provozieren, herausfordern, ärgern, irritieren, erbosen, triezen, locken, verlocken, bestricken, betören, für sich einnehmen, heranlocken, herbeilocken, verführen, verleiten, anstacheln, anfeuern, anregen, anreizen, anspornen, antreiben, auffordern, a

NL: bevallen, bekoren
EN: fascinate, charm, delight, enchant, allure
Partizip Perfekt & Präsens
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II)
`komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I)
gereizt
reizend
Indikativ Präsens
der Indikativ = aantonende wijs
ich reize
du reizt
er reizt
wir reizen
ihr reizt
sie; Sie reizen
Indikativ Perfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich habe gereizt
du hast gereizt
er hat gereizt
wir haben gereizt
ihr habt gereizt
sie; Sie haben gereizt
Indikativ Präteritum
der Indikativ = aantonende wijs
ich reizte
du reiztest
er reizte
wir reizten
ihr reiztet
sie; Sie reizten
Indikativ Plusquamperfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich hatte gereizt
du hattest gereizt
er hatte gereizt
wir hatten gereizt
ihr hattet gereizt
sie; Sie hatten gereizt
Indikativ Futur I
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde reizen
du wirst reizen
er wird reizen
wir werden reizen
ihr werdet reizen
sie; Sie werden reizen
Indikativ Futur II
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde gereizt haben
du wirst gereizt haben
er wird gereizt haben
wir werden gereizt haben
ihr werdet gereizt haben
sie; Sie werden gereizt haben
Konjunktiv I Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich reize
du reizest
er reize
wir reizen
ihr reizet
sie; Sie reizen
Konjunktiv I Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich habe gereizt
du habest gereizt
er habe gereizt
wir haben gereizt
ihr habet gereizt
sie; Sie haben gereizt
Konjunktiv II Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich reizte
du reiztest
er reizte
wir reizten
ihr reiztet
sie; Sie reizten
Konjunktiv II Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich hätte gereizt
du hättest gereizt
er hätte gereizt
wir hätten gereizt
ihr hättet gereizt
sie; Sie hätten gereizt
Konjunktiv II Futur I
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde reizen
du würdest reizen
er würde reizen
wir würden reizen
ihr würdet reizen
sie; Sie würden reizen
Konjunktiv II Futur II
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde gereizt haben
du würdest gereizt haben
er würde gereizt haben
wir würden gereizt haben
ihr würdet gereizt haben
sie; Sie würden gereizt haben
der Imperativ
der Imperativ = gebiedende wijs
du reize

Directe link naar deze pagina:

http://www.mijnwoordenboek.nl/werkwoord/reizen

Werkwoorden A tot (en met) Z



Nederlandse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Duitse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Engelse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Franse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Spaanse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z



© Mijnwoordenboek MMXII | Contact | Privacy | Vaakst vertaald | In English