|
|
| |
reizen vervoegen
|
DE: reizen
NL: reizenSynoniemen: bevallen, bekoren
DE: provozieren, herausfordern, ärgern, irritieren, erbosen, triezen, locken, verlocken, bestricken, betören, für sich einnehmen, heranlocken, herbeilocken, verführen, verleiten, anstacheln, anfeuern, anregen, anreizen, anspornen, antreiben, auffordern, a EN: fascinate, charm, delight, enchant, allure U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
| | Voltooid deelwoord | | Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` | gereisd
| | Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) | | Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. | ik reis jij reist hij reist wij reizen jullie reizen zij reizen
| | Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) | | Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. | ik heb gereisd jij hebt gereisd hij heeft gereisd wij hebben gereisd jullie hebben gereisd zij hebben gereisd
| | Onvoltooid verleden tijd (ovt) | | Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. | ik reisde jij reisde hij reisde wij reisden jullie reisden zij reisden
| | Voltooid verleden tijd (vvt) | | wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. | ik had gereisd jij had gereisd hij had gereisd wij hadden gereisd jullie hadden gereisd zij hadden gereisd
| | Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) | | Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. | ik zal reizen jij zult reizen hij zal reizen wij zullen reizen jullie zullen reizen zij zullen reizen
| | Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) | | Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. | ik zal gereisd hebben jij zult gereisd hebben hij zal gereisd hebben wij zullen gereisd hebben jullie zullen gereisd hebben zij zullen gereisd hebben
| | Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) | | Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. | ik zou reizen jij zou reizen hij zou reizen wij zouden reizen jullie zouden reizen zij zouden reizen
| | Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) | | Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. | ik zou gereisd hebben jij zou gereisd hebben hij zou gereisd hebben wij zouden gereisd hebben jullie zouden gereisd hebben zij zouden gereisd hebben
| | Gebiedende wijs | | bv. `Ga weg!` | reis
|
DE: reizenSynoniemen: provozieren, herausfordern, ärgern, irritieren, erbosen, triezen, locken, verlocken, bestricken, betören, für sich einnehmen, heranlocken, herbeilocken, verführen, verleiten, anstacheln, anfeuern, anregen, anreizen, anspornen, antreiben, auffordern, a
NL: bevallen, bekoren EN: fascinate, charm, delight, enchant, allure | Partizip Perfekt & Präsens | `Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) | gereizt reizend
| | Indikativ Präsens | | der Indikativ = aantonende wijs | ich reize du reizt er reizt wir reizen ihr reizt sie; Sie reizen
| | Indikativ Perfekt | | der Indikativ = aantonende wijs | ich habe gereizt du hast gereizt er hat gereizt wir haben gereizt ihr habt gereizt sie; Sie haben gereizt
| | Indikativ Präteritum | | der Indikativ = aantonende wijs | ich reizte du reiztest er reizte wir reizten ihr reiztet sie; Sie reizten
| | Indikativ Plusquamperfekt | | der Indikativ = aantonende wijs | ich hatte gereizt du hattest gereizt er hatte gereizt wir hatten gereizt ihr hattet gereizt sie; Sie hatten gereizt
| | Indikativ Futur I | | der Indikativ = aantonende wijs | ich werde reizen du wirst reizen er wird reizen wir werden reizen ihr werdet reizen sie; Sie werden reizen
| | Indikativ Futur II | | der Indikativ = aantonende wijs | ich werde gereizt haben du wirst gereizt haben er wird gereizt haben wir werden gereizt haben ihr werdet gereizt haben sie; Sie werden gereizt haben
| | Konjunktiv I Präsens | | der Konjunktiv = aanvoegende wijs | ich reize du reizest er reize wir reizen ihr reizet sie; Sie reizen
| | Konjunktiv I Perfekt | | der Konjunktiv = aanvoegende wijs | ich habe gereizt du habest gereizt er habe gereizt wir haben gereizt ihr habet gereizt sie; Sie haben gereizt
| | Konjunktiv II Präsens | | der Konjunktiv = aanvoegende wijs | ich reizte du reiztest er reizte wir reizten ihr reiztet sie; Sie reizten
| | Konjunktiv II Perfekt | | der Konjunktiv = aanvoegende wijs | ich hätte gereizt du hättest gereizt er hätte gereizt wir hätten gereizt ihr hättet gereizt sie; Sie hätten gereizt
| | Konjunktiv II Futur I | | der Konjunktiv = aanvoegende wijs | ich würde reizen du würdest reizen er würde reizen wir würden reizen ihr würdet reizen sie; Sie würden reizen
| | Konjunktiv II Futur II | | der Konjunktiv = aanvoegende wijs | ich würde gereizt haben du würdest gereizt haben er würde gereizt haben wir würden gereizt haben ihr würdet gereizt haben sie; Sie würden gereizt haben
| | der Imperativ | | der Imperativ = gebiedende wijs | du reize
|
Directe link naar deze pagina:http://www.mijnwoordenboek.nl/werkwoord/reizenWerkwoorden A tot (en met) Z
Nederlandse werkwoorden
A
B
C
D
E
F
G
H
I
J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y
Z
Duitse werkwoorden
A
B
C
D
E
F
G
H
I
J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y
Z
Engelse werkwoorden
A
B
C
D
E
F
G
H
I
J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y
Z
Franse werkwoorden
A
B
C
D
E
F
G
H
I
J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y
Z
Spaanse werkwoorden
A
B
C
D
E
F
G
H
I
J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y
Z
|
Synoniemen
Vervoegen
Puzzelwoordenboek
Woorden.org
Encyclo.nl
|