|
|
| |
reinigen vervoegen
|
DE: reinigen
NL: reinigenSynoniemen: schoonpoetsen, zuiveren, schoonmaken, reinigen
DE: klären, läutern, säubern, sich waschen, waschen, die Wäsche waschen, säubern, Wäsche haben/halten, saubermachen, rein machen, abwischen, aufpolieren, aufwaschen, bohnern, polieren, putzen, schrubben, säubern, wienern FR: nettoyer, purifier, laver, purger, épurer, nettoyer à fond, récurer, éponger U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
| | Voltooid deelwoord | | Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` | gereinigd
| | Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) | | Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. | ik reinig jij reinigt hij reinigt wij reinigen jullie reinigen zij reinigen
| | Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) | | Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. | ik heb gereinigd jij hebt gereinigd hij heeft gereinigd wij hebben gereinigd jullie hebben gereinigd zij hebben gereinigd
| | Onvoltooid verleden tijd (ovt) | | Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. | ik reinigde jij reinigde hij reinigde wij reinigden jullie reinigden zij reinigden
| | Voltooid verleden tijd (vvt) | | wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. | ik had gereinigd jij had gereinigd hij had gereinigd wij hadden gereinigd jullie hadden gereinigd zij hadden gereinigd
| | Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) | | Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. | ik zal reinigen jij zult reinigen hij zal reinigen wij zullen reinigen jullie zullen reinigen zij zullen reinigen
| | Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) | | Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. | ik zal gereinigd hebben jij zult gereinigd hebben hij zal gereinigd hebben wij zullen gereinigd hebben jullie zullen gereinigd hebben zij zullen gereinigd hebben
| | Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) | | Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. | ik zou reinigen jij zou reinigen hij zou reinigen wij zouden reinigen jullie zouden reinigen zij zouden reinigen
| | Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) | | Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. | ik zou gereinigd hebben jij zou gereinigd hebben hij zou gereinigd hebben wij zouden gereinigd hebben jullie zouden gereinigd hebben zij zouden gereinigd hebben
| | Gebiedende wijs | | bv. `Ga weg!` | reinig
|
DE: reinigenSynoniemen: klären, läutern, säubern, sich waschen, waschen, die Wäsche waschen, säubern, Wäsche haben/halten, saubermachen, rein machen, abwischen, aufpolieren, aufwaschen, bohnern, polieren, putzen, schrubben, säubern, wienern
NL: schoonpoetsen, zuiveren, schoonmaken, reinigen FR: nettoyer, purifier, laver, purger, épurer, nettoyer à fond, récurer, éponger | Partizip Perfekt & Präsens | `Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) | gereinigt reinigend
| | Indikativ Präsens | | der Indikativ = aantonende wijs | ich reinige du reinigst er reinigt wir reinigen ihr reinigt sie; Sie reinigen
| | Indikativ Perfekt | | der Indikativ = aantonende wijs | ich habe gereinigt du hast gereinigt er hat gereinigt wir haben gereinigt ihr habt gereinigt sie; Sie haben gereinigt
| | Indikativ Präteritum | | der Indikativ = aantonende wijs | ich reinigte du reinigtest er reinigte wir reinigten ihr reinigtet sie; Sie reinigten
| | Indikativ Plusquamperfekt | | der Indikativ = aantonende wijs | ich hatte gereinigt du hattest gereinigt er hatte gereinigt wir hatten gereinigt ihr hattet gereinigt sie; Sie hatten gereinigt
| | Indikativ Futur I | | der Indikativ = aantonende wijs | ich werde reinigen du wirst reinigen er wird reinigen wir werden reinigen ihr werdet reinigen sie; Sie werden reinigen
| | Indikativ Futur II | | der Indikativ = aantonende wijs | ich werde gereinigt haben du wirst gereinigt haben er wird gereinigt haben wir werden gereinigt haben ihr werdet gereinigt haben sie; Sie werden gereinigt haben
| | Konjunktiv I Präsens | | der Konjunktiv = aanvoegende wijs | ich reinige du reinigest er reinige wir reinigen ihr reiniget sie; Sie reinigen
| | Konjunktiv I Perfekt | | der Konjunktiv = aanvoegende wijs | ich habe gereinigt du habest gereinigt er habe gereinigt wir haben gereinigt ihr habet gereinigt sie; Sie haben gereinigt
| | Konjunktiv II Präsens | | der Konjunktiv = aanvoegende wijs | ich reinigte du reinigtest er reinigte wir reinigten ihr reinigtet sie; Sie reinigten
| | Konjunktiv II Perfekt | | der Konjunktiv = aanvoegende wijs | ich hätte gereinigt du hättest gereinigt er hätte gereinigt wir hätten gereinigt ihr hättet gereinigt sie; Sie hätten gereinigt
| | Konjunktiv II Futur I | | der Konjunktiv = aanvoegende wijs | ich würde reinigen du würdest reinigen er würde reinigen wir würden reinigen ihr würdet reinigen sie; Sie würden reinigen
| | Konjunktiv II Futur II | | der Konjunktiv = aanvoegende wijs | ich würde gereinigt haben du würdest gereinigt haben er würde gereinigt haben wir würden gereinigt haben ihr würdet gereinigt haben sie; Sie würden gereinigt haben
| | der Imperativ | | der Imperativ = gebiedende wijs | du reinige
|
Directe link naar deze pagina:http://www.mijnwoordenboek.nl/werkwoord/reinigenWerkwoorden A tot (en met) Z
Nederlandse werkwoorden
A
B
C
D
E
F
G
H
I
J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y
Z
Duitse werkwoorden
A
B
C
D
E
F
G
H
I
J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y
Z
Engelse werkwoorden
A
B
C
D
E
F
G
H
I
J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y
Z
Franse werkwoorden
A
B
C
D
E
F
G
H
I
J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y
Z
Spaanse werkwoorden
A
B
C
D
E
F
G
H
I
J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y
Z
|
Synoniemen
Vervoegen
Puzzelwoordenboek
Woorden.org
Encyclo.nl
|