NL: regenenSynoniemen: miezeren, piesen, pissen
DE: regnen
EN: rain
ES: llover
FR: pleuvoir
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geregend
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik regen jij regent hij regent wij regenen jullie regenen zij regenen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geregend jij hebt geregend hij heeft geregend wij hebben geregend jullie hebben geregend zij hebben geregend
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik regende jij regende hij regende wij regenden jullie regenden zij regenden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geregend jij had geregend hij had geregend wij hadden geregend jullie hadden geregend zij hadden geregend
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal regenen jij zult regenen hij zal regenen wij zullen regenen jullie zullen regenen zij zullen regenen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geregend hebben jij zult geregend hebben hij zal geregend hebben wij zullen geregend hebben jullie zullen geregend hebben zij zullen geregend hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou regenen jij zou regenen hij zou regenen wij zouden regenen jullie zouden regenen zij zouden regenen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geregend hebben jij zou geregend hebben hij zou geregend hebben wij zouden geregend hebben jullie zouden geregend hebben zij zouden geregend hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
regen
|