NL: reflecterenSynoniemen: beschouwen, terugkaatsen, weerspiegelen, weerkaatsen, terugstoten, stuiten, echoën
DE: reflecteren (weerspiegelen): reflektieren, widerspiegeln, spiegeln
EN: reflecteren (weerspiegelen): reflect, be reflected, cast back, mirror
ES: reflecteren (weerspiegelen): reflejar, reflejarse, reflectar
FR: reflecteren (weerspiegelen): refléter, réfléchir, miroiter, se réverbérer, renvoyer
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gereflecteerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik reflecteer jij reflecteert hij reflecteert wij reflecteren jullie reflecteren zij reflecteren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gereflecteerd jij hebt gereflecteerd hij heeft gereflecteerd wij hebben gereflecteerd jullie hebben gereflecteerd zij hebben gereflecteerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik reflecteerde jij reflecteerde hij reflecteerde wij reflecteerden jullie reflecteerden zij reflecteerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gereflecteerd jij had gereflecteerd hij had gereflecteerd wij hadden gereflecteerd jullie hadden gereflecteerd zij hadden gereflecteerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal reflecteren jij zult reflecteren hij zal reflecteren wij zullen reflecteren jullie zullen reflecteren zij zullen reflecteren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gereflecteerd hebben jij zult gereflecteerd hebben hij zal gereflecteerd hebben wij zullen gereflecteerd hebben jullie zullen gereflecteerd hebben zij zullen gereflecteerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou reflecteren jij zou reflecteren hij zou reflecteren wij zouden reflecteren jullie zouden reflecteren zij zouden reflecteren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gereflecteerd hebben jij zou gereflecteerd hebben hij zou gereflecteerd hebben wij zouden gereflecteerd hebben jullie zouden gereflecteerd hebben zij zouden gereflecteerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
reflecteer
|