NL: redenerenSynoniemen: argumenteren, beredeneren, betogen
DE: begründen, bereden, argumentieren, auseinandersetzen, besprechen, darlegen, ausführlich erörtern
EN: argue, reason
ES: argumentar
FR: raisonner, argumenter
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geredeneerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik redeneer jij redeneert hij redeneert wij redeneren jullie redeneren zij redeneren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geredeneerd jij hebt geredeneerd hij heeft geredeneerd wij hebben geredeneerd jullie hebben geredeneerd zij hebben geredeneerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik redeneerde jij redeneerde hij redeneerde wij redeneerden jullie redeneerden zij redeneerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geredeneerd jij had geredeneerd hij had geredeneerd wij hadden geredeneerd jullie hadden geredeneerd zij hadden geredeneerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal redeneren jij zult redeneren hij zal redeneren wij zullen redeneren jullie zullen redeneren zij zullen redeneren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geredeneerd hebben jij zult geredeneerd hebben hij zal geredeneerd hebben wij zullen geredeneerd hebben jullie zullen geredeneerd hebben zij zullen geredeneerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou redeneren jij zou redeneren hij zou redeneren wij zouden redeneren jullie zouden redeneren zij zouden redeneren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geredeneerd hebben jij zou geredeneerd hebben hij zou geredeneerd hebben wij zouden geredeneerd hebben jullie zouden geredeneerd hebben zij zouden geredeneerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
redeneer
|