NL: redenSynoniemen: reden (beschäftigt sein): bezet zijn, in gesprek zijn
DE: sprechen, sich ausdrücken, sich äußern, sprechen, ein Gespräch führen, konversieren, plaudern über, sich unterhalten, Konversation machen
EN: reden (beschäftigt sein): converse, talk, to be busy
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gereed
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik reed jij reedt hij reedt wij reden jullie reden zij reden
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gereed jij hebt gereed hij heeft gereed wij hebben gereed jullie hebben gereed zij hebben gereed
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik reedde jij reedde hij reedde wij reedden jullie reedden zij reedden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gereed jij had gereed hij had gereed wij hadden gereed jullie hadden gereed zij hadden gereed
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal reden jij zult reden hij zal reden wij zullen reden jullie zullen reden zij zullen reden
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gereed hebben jij zult gereed hebben hij zal gereed hebben wij zullen gereed hebben jullie zullen gereed hebben zij zullen gereed hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou reden jij zou reden hij zou reden wij zouden reden jullie zouden reden zij zouden reden
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gereed hebben jij zou gereed hebben hij zou gereed hebben wij zouden gereed hebben jullie zouden gereed hebben zij zouden gereed hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
reed
|
DE: redenSynoniemen: sprechen, sich ausdrücken, sich äußern, sprechen, ein Gespräch führen, konversieren, plaudern über, sich unterhalten, Konversation machen
NL: reden (beschäftigt sein): bezet zijn, in gesprek zijn
EN: reden (beschäftigt sein): converse, talk, to be busy
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
geredet redend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich rede du redest er redet wir reden ihr redet sie; Sie reden
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe geredet du hast geredet er hat geredet wir haben geredet ihr habt geredet sie; Sie haben geredet
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich redete du redetest er redete wir redeten ihr redetet sie; Sie redeten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte geredet du hattest geredet er hatte geredet wir hatten geredet ihr hattet geredet sie; Sie hatten geredet
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde reden du wirst reden er wird reden wir werden reden ihr werdet reden sie; Sie werden reden
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde geredet haben du wirst geredet haben er wird geredet haben wir werden geredet haben ihr werdet geredet haben sie; Sie werden geredet haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich rede du redest er rede wir reden ihr redet sie; Sie reden
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe geredet du habest geredet er habe geredet wir haben geredet ihr habet geredet sie; Sie haben geredet
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich redete du redetest er redete wir redeten ihr redetet sie; Sie redeten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte geredet du hättest geredet er hätte geredet wir hätten geredet ihr hättet geredet sie; Sie hätten geredet
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde reden du würdest reden er würde reden wir würden reden ihr würdet reden sie; Sie würden reden
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde geredet haben du würdest geredet haben er würde geredet haben wir würden geredet haben ihr würdet geredet haben sie; Sie würden geredet haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du rede
|