NL: rechtsprekenSynoniemen: oordelen, oordewijzen
EN: rechtspreken (een oordeel wijzen): judge, pass judgement, administer justice
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
rechtgesproken
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik spreek recht jij spreekt recht hij spreekt recht wij spreken recht jullie spreken recht zij spreken recht
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb rechtgesproken jij hebt rechtgesproken hij heeft rechtgesproken wij hebben rechtgesproken jullie hebben rechtgesproken zij hebben rechtgesproken
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik sprak recht jij sprak recht hij sprak recht wij spraken recht jullie spraken recht zij spraken recht
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had rechtgesproken jij had rechtgesproken hij had rechtgesproken wij hadden rechtgesproken jullie hadden rechtgesproken zij hadden rechtgesproken
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal rechtspreken jij zult rechtspreken hij zal rechtspreken wij zullen rechtspreken jullie zullen rechtspreken zij zullen rechtspreken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal rechtgesproken hebben jij zult rechtgesproken hebben hij zal rechtgesproken hebben wij zullen rechtgesproken hebben jullie zullen rechtgesproken hebben zij zullen rechtgesproken hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou rechtspreken jij zou rechtspreken hij zou rechtspreken wij zouden rechtspreken jullie zouden rechtspreken zij zouden rechtspreken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou rechtgesproken hebben jij zou rechtgesproken hebben hij zou rechtgesproken hebben wij zouden rechtgesproken hebben jullie zouden rechtgesproken hebben zij zouden rechtgesproken hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
spreek recht
|