NL: ravottenSynoniemen: dollen, spelen, stoeien
DE: scherzen, balgen, herumtollen, sich balgen, toben, schäkern
EN: romp, frolic, romp around, run around wildly, play, horse around, let oneself go
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geravot
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik ravot jij ravot hij ravot wij ravotten jullie ravotten zij ravotten
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geravot jij hebt geravot hij heeft geravot wij hebben geravot jullie hebben geravot zij hebben geravot
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik ravotte jij ravotte hij ravotte wij ravotten jullie ravotten zij ravotten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geravot jij had geravot hij had geravot wij hadden geravot jullie hadden geravot zij hadden geravot
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal ravotten jij zult ravotten hij zal ravotten wij zullen ravotten jullie zullen ravotten zij zullen ravotten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geravot hebben jij zult geravot hebben hij zal geravot hebben wij zullen geravot hebben jullie zullen geravot hebben zij zullen geravot hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou ravotten jij zou ravotten hij zou ravotten wij zouden ravotten jullie zouden ravotten zij zouden ravotten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geravot hebben jij zou geravot hebben hij zou geravot hebben wij zouden geravot hebben jullie zouden geravot hebben zij zouden geravot hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
ravot
|