Synoniemen

NL | DE | EN | ES | FR

Werkwoorden

Werkwoorden vervoegen

ranken vervoegen




DE: ranken

NL: ranken

U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)

Voltooid deelwoord
Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen`
gerankt
Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt.
ik rank
jij rankt
hij rankt
wij ranken
jullie ranken
zij ranken
Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn.
ik heb gerankt
jij hebt gerankt
hij heeft gerankt
wij hebben gerankt
jullie hebben gerankt
zij hebben gerankt
Onvoltooid verleden tijd (ovt)
Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is.
ik rankte
jij rankte
hij rankte
wij rankten
jullie rankten
zij rankten
Voltooid verleden tijd (vvt)
wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren.
ik had gerankt
jij had gerankt
hij had gerankt
wij hadden gerankt
jullie hadden gerankt
zij hadden gerankt
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden.
ik zal ranken
jij zult ranken
hij zal ranken
wij zullen ranken
jullie zullen ranken
zij zullen ranken
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn.
ik zal gerankt hebben
jij zult gerankt hebben
hij zal gerankt hebben
wij zullen gerankt hebben
jullie zullen gerankt hebben
zij zullen gerankt hebben
Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden.
ik zou ranken
jij zou ranken
hij zou ranken
wij zouden ranken
jullie zouden ranken
zij zouden ranken
Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn.
ik zou gerankt hebben
jij zou gerankt hebben
hij zou gerankt hebben
wij zouden gerankt hebben
jullie zouden gerankt hebben
zij zouden gerankt hebben
Gebiedende wijs
bv. `Ga weg!`
rank


DE: ranken
Partizip Perfekt & Präsens
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II)
`komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I)
gerankt
rankend
Indikativ Präsens
der Indikativ = aantonende wijs
ich ranke
du rankst
er rankt
wir ranken
ihr rankt
sie; Sie ranken
Indikativ Perfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich habe gerankt
du hast gerankt
er hat gerankt
wir haben gerankt
ihr habt gerankt
sie; Sie haben gerankt
Indikativ Präteritum
der Indikativ = aantonende wijs
ich rankte
du ranktest
er rankte
wir rankten
ihr ranktet
sie; Sie rankten
Indikativ Plusquamperfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich hatte gerankt
du hattest gerankt
er hatte gerankt
wir hatten gerankt
ihr hattet gerankt
sie; Sie hatten gerankt
Indikativ Futur I
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde ranken
du wirst ranken
er wird ranken
wir werden ranken
ihr werdet ranken
sie; Sie werden ranken
Indikativ Futur II
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde gerankt haben
du wirst gerankt haben
er wird gerankt haben
wir werden gerankt haben
ihr werdet gerankt haben
sie; Sie werden gerankt haben
Konjunktiv I Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich ranke
du rankest
er ranke
wir ranken
ihr ranket
sie; Sie ranken
Konjunktiv I Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich habe gerankt
du habest gerankt
er habe gerankt
wir haben gerankt
ihr habet gerankt
sie; Sie haben gerankt
Konjunktiv II Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich rankte
du ranktest
er rankte
wir rankten
ihr ranktet
sie; Sie rankten
Konjunktiv II Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich hätte gerankt
du hättest gerankt
er hätte gerankt
wir hätten gerankt
ihr hättet gerankt
sie; Sie hätten gerankt
Konjunktiv II Futur I
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde ranken
du würdest ranken
er würde ranken
wir würden ranken
ihr würdet ranken
sie; Sie würden ranken
Konjunktiv II Futur II
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde gerankt haben
du würdest gerankt haben
er würde gerankt haben
wir würden gerankt haben
ihr würdet gerankt haben
sie; Sie würden gerankt haben
der Imperativ
der Imperativ = gebiedende wijs
du ranke

Directe link naar deze pagina:

http://www.mijnwoordenboek.nl/werkwoord/ranken

Werkwoorden A tot (en met) Z

Nederlandse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Duitse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Engelse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Franse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Spaanse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Vervoegen

avoir être willen send sein
© Mijnwoordenboek MMXI | Contact | Privacy | Vaakst vertaald