FR: rancarder| Participe Passé |
|
rancardé
|
| Indicatif Présent |
| ott, als in `ik ga` |
je rancarde tu rancardes il; elle rancarde nous rancardons vous rancardez ils; elles rancardent
|
| Indicatif Passé Composé |
| Passé composé = voltooid tegenwoordige tijd. Als in `ik ben gegaan`. Le passé composé wordt gebruikt voor alle op zichzelf staande feiten, nieuwe, éénmalige gebeurtenissen, alle afgesloten handelingen. |
j`ai rancardé tu as rancardé il; elle a rancardé nous avons rancardé vous avez rancardé ils; elles ont rancardé
|
| Indicatif Imparfait |
| ovt, als in `ik ging`. L'imparfait wordt gebruikt voor het weergeven van: (I) een gewoonte (handeling), (II) een toestand/ beschrijving van karakter,uiterlijk, kleding, gemoedstoestand en landschap, (III) een handeling die aan de gang was. |
je rancardais tu rancardais il; elle rancardait nous rancardions vous rancardiez ils; elles rancardaient
|
| Indicatif Plus-Que-Parfait |
| Plus-que-parfait= voltooid verleden tijd. Als in `ik was gegaan` |
j`avais rancardé tu avais rancardé il; elle avait rancardé nous avions rancardé vous aviez rancardé ils; elles avaient rancardé
|
| Indicatif Passé Simple |
| vtt, als in `ik ging`. Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
je rancardai tu rancardas il; elle rancarda nous rancardâmes vous rancardâtes ils; elles rancardèrent
|
| Indicatif Passé Antérieur |
| vvtt, als in `ik zou gegaan zijn` |
j`eus rancardé tu eus rancardé il; elle eut rancardé nous eûmes rancardé vous eûtes rancardé ils; elles eurent rancardé
|
| Indicatif Futur Simple |
| ottt, als in `ik zal gaan` |
je rancarderai tu rancarderas il; elle rancardera nous rancarderons vous rancarderez ils; elles rancarderont
|
| Indicatif Futur Antérieur |
| vttt, als in `Ik zal gegaan zijn` |
j`aurai rancardé tu auras rancardé il; elle aura rancardé nous aurons rancardé vous aurez rancardé ils; elles auront rancardé
|
| Subjonctif Présent |
| Aanvoegende wijs, heden. Men gebruikt het subjonctif in een onderschikkende bijzin die begint met `que`, na werkwoorden die een gevoel weergeven: être content = blij zijn, être triste= bedroefd zijn |
je rancarde tu rancardes il; elle rancarde nous rancardions vous rancardiez ils; elles rancardent
|
| Subjonctif Passé |
| Aanvoegende wijs, verleden. Vooral gebruikt in de schrijftaal. |
j`aie rancardé tu aies rancardé il; elle ait rancardé nous ayons rancardé vous ayez rancardé ils; elles aient rancardé
|
| Subjonctif Imparfait |
| Aanvoegende wijs. Vooral gebruikt in de schrijftaal. L'imparfait wordt gebruikt voor het weergeven van: (I) een gewoonte (handeling), (II) een toestand/ beschrijving van karakter,uiterlijk, kleding, gemoedstoestand en landschap, (III) een handeling die aan de gang was |
je rancardasse tu rancardasses il; elle rancardât nous rancardassions vous rancardassiez ils; elles rancardassent
|
| Subjonctif Plus-Que-Parfait |
| Aanvoegende wijs, voltooid deelwoord. Vooral gebruikt in de schrijftaal. |
j`eusse rancardé tu eusses rancardé il; elle eût rancardé nous eussions rancardé vous eussiez rancardé ils; elles eussent rancardé
|
| Conditionnel Présent |
| ovtt. Met de conditionnel présent kan je een voorwaarde uitdrukken, als in `ik zou gaan` |
je rancarderais tu rancarderais il; elle rancarderait nous rancarderions vous rancarderiez ils; elles rancarderaient
|
| Conditionnel Passé |
| vvtt. De conditionnel passé gebruik je om een voorwaarde in het verleden te stellen, als in `ik zou gegaan zijn` |
j`aurais rancardé tu aurais rancardé il; elle aurait rancardé nous aurions rancardé vous auriez rancardé ils; elles auraient rancardé
|
| Impératif Présent |
| gebiedende wijs als in `Ga!` |
(tu) rancarde, (nous) rancardons (vous) rancardez
|