NL: rammenDE: anlaufen gegen, auflaufen auf, anfahren, aufeinanderprallen, aufeinanderstoßen, aufprallen auf, kollidieren, zusammenfahren, zusammenprallen, zusammenstoßen
U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geramd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik ram jij ramt hij ramt wij rammen jullie rammen zij rammen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geramd jij hebt geramd hij heeft geramd wij hebben geramd jullie hebben geramd zij hebben geramd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik ramde jij ramde hij ramde wij ramden jullie ramden zij ramden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geramd jij had geramd hij had geramd wij hadden geramd jullie hadden geramd zij hadden geramd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal rammen jij zult rammen hij zal rammen wij zullen rammen jullie zullen rammen zij zullen rammen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geramd hebben jij zult geramd hebben hij zal geramd hebben wij zullen geramd hebben jullie zullen geramd hebben zij zullen geramd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou rammen jij zou rammen hij zou rammen wij zouden rammen jullie zouden rammen zij zouden rammen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geramd hebben jij zou geramd hebben hij zou geramd hebben wij zouden geramd hebben jullie zouden geramd hebben zij zouden geramd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
ram
|
DE: rammenSynoniemen: anlaufen gegen, auflaufen auf, anfahren, aufeinanderprallen, aufeinanderstoßen, aufprallen auf, kollidieren, zusammenfahren, zusammenprallen, zusammenstoßen
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
gerammt rammend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich ramme du rammst er rammt wir rammen ihr rammt sie; Sie rammen
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe gerammt du hast gerammt er hat gerammt wir haben gerammt ihr habt gerammt sie; Sie haben gerammt
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich rammte du rammtest er rammte wir rammten ihr rammtet sie; Sie rammten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte gerammt du hattest gerammt er hatte gerammt wir hatten gerammt ihr hattet gerammt sie; Sie hatten gerammt
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde rammen du wirst rammen er wird rammen wir werden rammen ihr werdet rammen sie; Sie werden rammen
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde gerammt haben du wirst gerammt haben er wird gerammt haben wir werden gerammt haben ihr werdet gerammt haben sie; Sie werden gerammt haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich ramme du rammest er ramme wir rammen ihr rammet sie; Sie rammen
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe gerammt du habest gerammt er habe gerammt wir haben gerammt ihr habet gerammt sie; Sie haben gerammt
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich rammte du rammtest er rammte wir rammten ihr rammtet sie; Sie rammten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte gerammt du hättest gerammt er hätte gerammt wir hätten gerammt ihr hättet gerammt sie; Sie hätten gerammt
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde rammen du würdest rammen er würde rammen wir würden rammen ihr würdet rammen sie; Sie würden rammen
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde gerammt haben du würdest gerammt haben er würde gerammt haben wir würden gerammt haben ihr würdet gerammt haben sie; Sie würden gerammt haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du ramme
|