Synoniemen

NL | DE | EN | ES | FR

Werkwoorden

Werkwoorden vervoegen

rammen vervoegen




DE: rammen

NL: rammen
DE: anlaufen gegen, auflaufen auf, anfahren, aufeinanderprallen, aufeinanderstoßen, aufprallen auf, kollidieren, zusammenfahren, zusammenprallen, zusammenstoßen

U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)

Voltooid deelwoord
Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen`
geramd
Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt.
ik ram
jij ramt
hij ramt
wij rammen
jullie rammen
zij rammen
Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn.
ik heb geramd
jij hebt geramd
hij heeft geramd
wij hebben geramd
jullie hebben geramd
zij hebben geramd
Onvoltooid verleden tijd (ovt)
Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is.
ik ramde
jij ramde
hij ramde
wij ramden
jullie ramden
zij ramden
Voltooid verleden tijd (vvt)
wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren.
ik had geramd
jij had geramd
hij had geramd
wij hadden geramd
jullie hadden geramd
zij hadden geramd
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden.
ik zal rammen
jij zult rammen
hij zal rammen
wij zullen rammen
jullie zullen rammen
zij zullen rammen
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn.
ik zal geramd hebben
jij zult geramd hebben
hij zal geramd hebben
wij zullen geramd hebben
jullie zullen geramd hebben
zij zullen geramd hebben
Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden.
ik zou rammen
jij zou rammen
hij zou rammen
wij zouden rammen
jullie zouden rammen
zij zouden rammen
Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn.
ik zou geramd hebben
jij zou geramd hebben
hij zou geramd hebben
wij zouden geramd hebben
jullie zouden geramd hebben
zij zouden geramd hebben
Gebiedende wijs
bv. `Ga weg!`
ram


DE: rammen
Synoniemen: anlaufen gegen, auflaufen auf, anfahren, aufeinanderprallen, aufeinanderstoßen, aufprallen auf, kollidieren, zusammenfahren, zusammenprallen, zusammenstoßen
Partizip Perfekt & Präsens
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II)
`komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I)
gerammt
rammend
Indikativ Präsens
der Indikativ = aantonende wijs
ich ramme
du rammst
er rammt
wir rammen
ihr rammt
sie; Sie rammen
Indikativ Perfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich habe gerammt
du hast gerammt
er hat gerammt
wir haben gerammt
ihr habt gerammt
sie; Sie haben gerammt
Indikativ Präteritum
der Indikativ = aantonende wijs
ich rammte
du rammtest
er rammte
wir rammten
ihr rammtet
sie; Sie rammten
Indikativ Plusquamperfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich hatte gerammt
du hattest gerammt
er hatte gerammt
wir hatten gerammt
ihr hattet gerammt
sie; Sie hatten gerammt
Indikativ Futur I
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde rammen
du wirst rammen
er wird rammen
wir werden rammen
ihr werdet rammen
sie; Sie werden rammen
Indikativ Futur II
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde gerammt haben
du wirst gerammt haben
er wird gerammt haben
wir werden gerammt haben
ihr werdet gerammt haben
sie; Sie werden gerammt haben
Konjunktiv I Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich ramme
du rammest
er ramme
wir rammen
ihr rammet
sie; Sie rammen
Konjunktiv I Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich habe gerammt
du habest gerammt
er habe gerammt
wir haben gerammt
ihr habet gerammt
sie; Sie haben gerammt
Konjunktiv II Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich rammte
du rammtest
er rammte
wir rammten
ihr rammtet
sie; Sie rammten
Konjunktiv II Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich hätte gerammt
du hättest gerammt
er hätte gerammt
wir hätten gerammt
ihr hättet gerammt
sie; Sie hätten gerammt
Konjunktiv II Futur I
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde rammen
du würdest rammen
er würde rammen
wir würden rammen
ihr würdet rammen
sie; Sie würden rammen
Konjunktiv II Futur II
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde gerammt haben
du würdest gerammt haben
er würde gerammt haben
wir würden gerammt haben
ihr würdet gerammt haben
sie; Sie würden gerammt haben
der Imperativ
der Imperativ = gebiedende wijs
du ramme

Directe link naar deze pagina:

http://www.mijnwoordenboek.nl/werkwoord/rammen

Werkwoorden A tot (en met) Z

Nederlandse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Duitse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Engelse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Franse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Spaanse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Vervoegen

avoir être willen send sein
© Mijnwoordenboek MMXI | Contact | Privacy | Vaakst vertaald