FR: ragerSynoniemen: enrager, écumer
| Participe Passé |
|
ragé
|
| Indicatif Présent |
| ott, als in `ik ga` |
je rage tu rages il; elle rage nous rageons vous ragez ils; elles ragent
|
| Indicatif Passé Composé |
| Passé composé = voltooid tegenwoordige tijd. Als in `ik ben gegaan`. Le passé composé wordt gebruikt voor alle op zichzelf staande feiten, nieuwe, éénmalige gebeurtenissen, alle afgesloten handelingen. |
j`ai ragé tu as ragé il; elle a ragé nous avons ragé vous avez ragé ils; elles ont ragé
|
| Indicatif Imparfait |
| ovt, als in `ik ging`. L'imparfait wordt gebruikt voor het weergeven van: (I) een gewoonte (handeling), (II) een toestand/ beschrijving van karakter,uiterlijk, kleding, gemoedstoestand en landschap, (III) een handeling die aan de gang was. |
je rageais tu rageais il; elle rageait nous ragions vous ragiez ils; elles rageaient
|
| Indicatif Plus-Que-Parfait |
| Plus-que-parfait= voltooid verleden tijd. Als in `ik was gegaan` |
j`avais ragé tu avais ragé il; elle avait ragé nous avions ragé vous aviez ragé ils; elles avaient ragé
|
| Indicatif Passé Simple |
| vtt, als in `ik ging`. Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
je rageai tu rageas il; elle ragea nous rageâmes vous rageâtes ils; elles ragèrent
|
| Indicatif Passé Antérieur |
| vvtt, als in `ik zou gegaan zijn` |
j`eus ragé tu eus ragé il; elle eut ragé nous eûmes ragé vous eûtes ragé ils; elles eurent ragé
|
| Indicatif Futur Simple |
| ottt, als in `ik zal gaan` |
je ragerai tu rageras il; elle ragera nous ragerons vous ragerez ils; elles rageront
|
| Indicatif Futur Antérieur |
| vttt, als in `Ik zal gegaan zijn` |
j`aurai ragé tu auras ragé il; elle aura ragé nous aurons ragé vous aurez ragé ils; elles auront ragé
|
| Subjonctif Présent |
| Aanvoegende wijs, heden. Men gebruikt het subjonctif in een onderschikkende bijzin die begint met `que`, na werkwoorden die een gevoel weergeven: être content = blij zijn, être triste= bedroefd zijn |
je rage tu rages il; elle rage nous ragions vous ragiez ils; elles ragent
|
| Subjonctif Passé |
| Aanvoegende wijs, verleden. Vooral gebruikt in de schrijftaal. |
j`aie ragé tu aies ragé il; elle ait ragé nous ayons ragé vous ayez ragé ils; elles aient ragé
|
| Subjonctif Imparfait |
| Aanvoegende wijs. Vooral gebruikt in de schrijftaal. L'imparfait wordt gebruikt voor het weergeven van: (I) een gewoonte (handeling), (II) een toestand/ beschrijving van karakter,uiterlijk, kleding, gemoedstoestand en landschap, (III) een handeling die aan de gang was |
je rageasse tu rageasses il; elle rageât nous rageassions vous rageassiez ils; elles rageassent
|
| Subjonctif Plus-Que-Parfait |
| Aanvoegende wijs, voltooid deelwoord. Vooral gebruikt in de schrijftaal. |
j`eusse ragé tu eusses ragé il; elle eût ragé nous eussions ragé vous eussiez ragé ils; elles eussent ragé
|
| Conditionnel Présent |
| ovtt. Met de conditionnel présent kan je een voorwaarde uitdrukken, als in `ik zou gaan` |
je ragerais tu ragerais il; elle ragerait nous ragerions vous rageriez ils; elles rageraient
|
| Conditionnel Passé |
| vvtt. De conditionnel passé gebruik je om een voorwaarde in het verleden te stellen, als in `ik zou gegaan zijn` |
j`aurais ragé tu aurais ragé il; elle aurait ragé nous aurions ragé vous auriez ragé ils; elles auraient ragé
|
| Impératif Présent |
| gebiedende wijs als in `Ga!` |
(tu) rage, (nous) rageons (vous) ragez
|