DE: quizzen| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
gequizzt quizzend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich quizze du quizzt er quizzt wir quizzen ihr quizzt sie; Sie quizzen
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe gequizzt du hast gequizzt er hat gequizzt wir haben gequizzt ihr habt gequizzt sie; Sie haben gequizzt
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich quizzte du quizztest er quizzte wir quizzten ihr quizztet sie; Sie quizzten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte gequizzt du hattest gequizzt er hatte gequizzt wir hatten gequizzt ihr hattet gequizzt sie; Sie hatten gequizzt
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde quizzen du wirst quizzen er wird quizzen wir werden quizzen ihr werdet quizzen sie; Sie werden quizzen
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde gequizzt haben du wirst gequizzt haben er wird gequizzt haben wir werden gequizzt haben ihr werdet gequizzt haben sie; Sie werden gequizzt haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich quizze du quizzest er quizze wir quizzen ihr quizzet sie; Sie quizzen
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe gequizzt ; sei gequizzt du habest gequizzt er habe gequizzt wir haben gequizzt ihr habet gequizzt sie; Sie haben gequizzt
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich quizzte du quizztest er quizzte wir quizzten ihr quizztet sie; Sie quizzten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte gequizzt du hättest gequizzt er hätte gequizzt wir hätten gequizzt ihr hättet gequizzt sie; Sie hätten gequizzt
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde quizzen du würdest quizzen er würde quizzen wir würden quizzen ihr würdet quizzen sie; Sie würden quizzen
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde gequizzt haben du würdest gequizzt haben er würde gequizzt haben wir würden gequizzt haben ihr würdet gequizzt haben sie; Sie würden gequizzt haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du quizze
|
NL: quizzen U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gequizd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik quiz jij quizt hij quizt wij quizzen jullie quizzen zij quizzen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gequizd jij hebt gequizd hij heeft gequizd wij hebben gequizd jullie hebben gequizd zij hebben gequizd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik quizde jij quizde hij quizde wij quizden jullie quizden zij quizden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gequizd jij had gequizd hij had gequizd wij hadden gequizd jullie hadden gequizd zij hadden gequizd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal quizzen jij zult quizzen hij zal quizzen wij zullen quizzen jullie zullen quizzen zij zullen quizzen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gequizd hebben jij zult gequizd hebben hij zal gequizd hebben wij zullen gequizd hebben jullie zullen gequizd hebben zij zullen gequizd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou quizzen jij zou quizzen hij zou quizzen wij zouden quizzen jullie zouden quizzen zij zouden quizzen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gequizd hebben jij zou gequizd hebben hij zou gequizd hebben wij zouden gequizd hebben jullie zouden gequizd hebben zij zouden gequizd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
quiz
|