Synoniemen

NL | DE | EN | ES | FR

Werkwoorden

Werkwoorden vervoegen

quizzen vervoegen

Vul een werkwoord of werkwoordsvorm in van een Nederlands, Duits,
Engels, Frans of Spaans werkwoord.
Bv: denken, dacht, sms'en, sein, have, avoir, être, aller, hablar





NL: quizzen

DE: quizzen
Partizip Perfekt & Präsens
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II)
`komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I)
gequizzt
quizzend
Indikativ Präsens
der Indikativ = aantonende wijs
ich quizze
du quizzt
er quizzt
wir quizzen
ihr quizzt
sie; Sie quizzen
Indikativ Perfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich habe gequizzt
du hast gequizzt
er hat gequizzt
wir haben gequizzt
ihr habt gequizzt
sie; Sie haben gequizzt
Indikativ Präteritum
der Indikativ = aantonende wijs
ich quizzte
du quizztest
er quizzte
wir quizzten
ihr quizztet
sie; Sie quizzten
Indikativ Plusquamperfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich hatte gequizzt
du hattest gequizzt
er hatte gequizzt
wir hatten gequizzt
ihr hattet gequizzt
sie; Sie hatten gequizzt
Indikativ Futur I
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde quizzen
du wirst quizzen
er wird quizzen
wir werden quizzen
ihr werdet quizzen
sie; Sie werden quizzen
Indikativ Futur II
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde gequizzt haben
du wirst gequizzt haben
er wird gequizzt haben
wir werden gequizzt haben
ihr werdet gequizzt haben
sie; Sie werden gequizzt haben
Konjunktiv I Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich quizze
du quizzest
er quizze
wir quizzen
ihr quizzet
sie; Sie quizzen
Konjunktiv I Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich habe gequizzt ; sei gequizzt
du habest gequizzt
er habe gequizzt
wir haben gequizzt
ihr habet gequizzt
sie; Sie haben gequizzt
Konjunktiv II Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich quizzte
du quizztest
er quizzte
wir quizzten
ihr quizztet
sie; Sie quizzten
Konjunktiv II Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich hätte gequizzt
du hättest gequizzt
er hätte gequizzt
wir hätten gequizzt
ihr hättet gequizzt
sie; Sie hätten gequizzt
Konjunktiv II Futur I
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde quizzen
du würdest quizzen
er würde quizzen
wir würden quizzen
ihr würdet quizzen
sie; Sie würden quizzen
Konjunktiv II Futur II
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde gequizzt haben
du würdest gequizzt haben
er würde gequizzt haben
wir würden gequizzt haben
ihr würdet gequizzt haben
sie; Sie würden gequizzt haben
der Imperativ
der Imperativ = gebiedende wijs
du quizze


NL: quizzen

U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)

Voltooid deelwoord
Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen`
gequizd
Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt.
ik quiz
jij quizt
hij quizt
wij quizzen
jullie quizzen
zij quizzen
Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn.
ik heb gequizd
jij hebt gequizd
hij heeft gequizd
wij hebben gequizd
jullie hebben gequizd
zij hebben gequizd
Onvoltooid verleden tijd (ovt)
Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is.
ik quizde
jij quizde
hij quizde
wij quizden
jullie quizden
zij quizden
Voltooid verleden tijd (vvt)
wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren.
ik had gequizd
jij had gequizd
hij had gequizd
wij hadden gequizd
jullie hadden gequizd
zij hadden gequizd
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden.
ik zal quizzen
jij zult quizzen
hij zal quizzen
wij zullen quizzen
jullie zullen quizzen
zij zullen quizzen
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn.
ik zal gequizd hebben
jij zult gequizd hebben
hij zal gequizd hebben
wij zullen gequizd hebben
jullie zullen gequizd hebben
zij zullen gequizd hebben
Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden.
ik zou quizzen
jij zou quizzen
hij zou quizzen
wij zouden quizzen
jullie zouden quizzen
zij zouden quizzen
Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn.
ik zou gequizd hebben
jij zou gequizd hebben
hij zou gequizd hebben
wij zouden gequizd hebben
jullie zouden gequizd hebben
zij zouden gequizd hebben
Gebiedende wijs
bv. `Ga weg!`
quiz

Directe link naar deze pagina:

http://www.mijnwoordenboek.nl/werkwoord/quizzen

Werkwoorden A tot (en met) Z



Nederlandse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Duitse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Engelse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Franse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Spaanse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z



© Mijnwoordenboek MMXII | Contact | Privacy | Vaakst vertaald | In English