NL: puzzelenDE: grübeln, brüten, nachdenken, hin und her überlegen
EN: puzzle, do jigsaw puzzles, solve crossword puzzles
ES: armar un rompecabezas, montar un rompecabezas, hacer crucigramas
FR: faire des puzzles, faire des mots croisés
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gepuzzeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik puzzel jij puzzelt hij puzzelt wij puzzelen jullie puzzelen zij puzzelen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gepuzzeld jij hebt gepuzzeld hij heeft gepuzzeld wij hebben gepuzzeld jullie hebben gepuzzeld zij hebben gepuzzeld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik puzzelde jij puzzelde hij puzzelde wij puzzelden jullie puzzelden zij puzzelden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gepuzzeld jij had gepuzzeld hij had gepuzzeld wij hadden gepuzzeld jullie hadden gepuzzeld zij hadden gepuzzeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal puzzelen jij zult puzzelen hij zal puzzelen wij zullen puzzelen jullie zullen puzzelen zij zullen puzzelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gepuzzeld hebben jij zult gepuzzeld hebben hij zal gepuzzeld hebben wij zullen gepuzzeld hebben jullie zullen gepuzzeld hebben zij zullen gepuzzeld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou puzzelen jij zou puzzelen hij zou puzzelen wij zouden puzzelen jullie zouden puzzelen zij zouden puzzelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gepuzzeld hebben jij zou gepuzzeld hebben hij zou gepuzzeld hebben wij zouden gepuzzeld hebben jullie zouden gepuzzeld hebben zij zouden gepuzzeld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
puzzel
|