NL: pruttelenSynoniemen: borrelen, brommen, morren, mopperen, klagen, kankeren, sudderen, stoffen, smoren
EN: stew
ES: brotar, guisar, zumbar, balar, gruñir, estofar, borbotear, dar balidos
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geprutteld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik pruttel jij pruttelt hij pruttelt wij pruttelen jullie pruttelen zij pruttelen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geprutteld jij hebt geprutteld hij heeft geprutteld wij hebben geprutteld jullie hebben geprutteld zij hebben geprutteld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik pruttelde jij pruttelde hij pruttelde wij pruttelden jullie pruttelden zij pruttelden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geprutteld jij had geprutteld hij had geprutteld wij hadden geprutteld jullie hadden geprutteld zij hadden geprutteld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal pruttelen jij zult pruttelen hij zal pruttelen wij zullen pruttelen jullie zullen pruttelen zij zullen pruttelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geprutteld hebben jij zult geprutteld hebben hij zal geprutteld hebben wij zullen geprutteld hebben jullie zullen geprutteld hebben zij zullen geprutteld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou pruttelen jij zou pruttelen hij zou pruttelen wij zouden pruttelen jullie zouden pruttelen zij zouden pruttelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geprutteld hebben jij zou geprutteld hebben hij zou geprutteld hebben wij zouden geprutteld hebben jullie zouden geprutteld hebben zij zouden geprutteld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
pruttel
|