NL: prutsenSynoniemen: broddelen, knutselen, rommelen, aanmodderen, stuntelen, knoeien, klunzen, klungelen, fröbelen
DE: basteln, baggern, pfuschen, einenWirbelschlagen, rauhabhobeln, rasseln, wirbeln, fummeln, trommeln, stümpern
EN: muddle, tinker, muddle on, mess about
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geprutst
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik pruts jij prutst hij prutst wij prutsen jullie prutsen zij prutsen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geprutst jij hebt geprutst hij heeft geprutst wij hebben geprutst jullie hebben geprutst zij hebben geprutst
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik prutste jij prutste hij prutste wij prutsten jullie prutsten zij prutsten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geprutst jij had geprutst hij had geprutst wij hadden geprutst jullie hadden geprutst zij hadden geprutst
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal prutsen jij zult prutsen hij zal prutsen wij zullen prutsen jullie zullen prutsen zij zullen prutsen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geprutst hebben jij zult geprutst hebben hij zal geprutst hebben wij zullen geprutst hebben jullie zullen geprutst hebben zij zullen geprutst hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou prutsen jij zou prutsen hij zou prutsen wij zouden prutsen jullie zouden prutsen zij zouden prutsen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geprutst hebben jij zou geprutst hebben hij zou geprutst hebben wij zouden geprutst hebben jullie zouden geprutst hebben zij zouden geprutst hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
pruts
|