NL: pruimenSynoniemen: kauwen, lusten, schransen
DE: Tabak kauen
EN: chew tobacco
FR: chiquer, mâcher
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gepruimd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik pruim jij pruimt hij pruimt wij pruimen jullie pruimen zij pruimen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gepruimd jij hebt gepruimd hij heeft gepruimd wij hebben gepruimd jullie hebben gepruimd zij hebben gepruimd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik pruimde jij pruimde hij pruimde wij pruimden jullie pruimden zij pruimden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gepruimd jij had gepruimd hij had gepruimd wij hadden gepruimd jullie hadden gepruimd zij hadden gepruimd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal pruimen jij zult pruimen hij zal pruimen wij zullen pruimen jullie zullen pruimen zij zullen pruimen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gepruimd hebben jij zult gepruimd hebben hij zal gepruimd hebben wij zullen gepruimd hebben jullie zullen gepruimd hebben zij zullen gepruimd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou pruimen jij zou pruimen hij zou pruimen wij zouden pruimen jullie zouden pruimen zij zouden pruimen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gepruimd hebben jij zou gepruimd hebben hij zou gepruimd hebben wij zouden gepruimd hebben jullie zouden gepruimd hebben zij zouden gepruimd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
pruim
|