NL: provianderenSynoniemen: uitrusten
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geproviandeerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik proviandeer jij proviandeert hij proviandeert wij provianderen jullie provianderen zij provianderen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geproviandeerd jij hebt geproviandeerd hij heeft geproviandeerd wij hebben geproviandeerd jullie hebben geproviandeerd zij hebben geproviandeerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik proviandeerde jij proviandeerde hij proviandeerde wij proviandeerden jullie proviandeerden zij proviandeerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geproviandeerd jij had geproviandeerd hij had geproviandeerd wij hadden geproviandeerd jullie hadden geproviandeerd zij hadden geproviandeerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal provianderen jij zult provianderen hij zal provianderen wij zullen provianderen jullie zullen provianderen zij zullen provianderen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geproviandeerd hebben jij zult geproviandeerd hebben hij zal geproviandeerd hebben wij zullen geproviandeerd hebben jullie zullen geproviandeerd hebben zij zullen geproviandeerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou provianderen jij zou provianderen hij zou provianderen wij zouden provianderen jullie zouden provianderen zij zouden provianderen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geproviandeerd hebben jij zou geproviandeerd hebben hij zou geproviandeerd hebben wij zouden geproviandeerd hebben jullie zouden geproviandeerd hebben zij zouden geproviandeerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
proviandeer
|