NL: pronkenSynoniemen: paraderen, pralen, schitteren, prijken, geuren
DE: pronken (pralen): prahlen, zur Schau stellen, zeigen, auffallen, glänzen, prunken
EN: pronken (pralen): show off
ES: pronken (pralen): ostentar, pavonearse, desplegar, brillar, exhibir, alardear, exponer, hacer gala de, hacerse interesante, hacer alarde de, alardear de, hacer ostentación de
FR: pronken (pralen): étaler, fleurer, se pavaner, parader, faire étalage de, faire des chichis
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gepronkt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik pronk jij pronkt hij pronkt wij pronken jullie pronken zij pronken
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gepronkt jij hebt gepronkt hij heeft gepronkt wij hebben gepronkt jullie hebben gepronkt zij hebben gepronkt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik pronkte jij pronkte hij pronkte wij pronkten jullie pronkten zij pronkten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gepronkt jij had gepronkt hij had gepronkt wij hadden gepronkt jullie hadden gepronkt zij hadden gepronkt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal pronken jij zult pronken hij zal pronken wij zullen pronken jullie zullen pronken zij zullen pronken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gepronkt hebben jij zult gepronkt hebben hij zal gepronkt hebben wij zullen gepronkt hebben jullie zullen gepronkt hebben zij zullen gepronkt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou pronken jij zou pronken hij zou pronken wij zouden pronken jullie zouden pronken zij zouden pronken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gepronkt hebben jij zou gepronkt hebben hij zou gepronkt hebben wij zouden gepronkt hebben jullie zouden gepronkt hebben zij zouden gepronkt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
pronk
|