NL: profeterenSynoniemen: aankondigen, prediken
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geprofeteerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik profeteer jij profeteert hij profeteert wij profeteren jullie profeteren zij profeteren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geprofeteerd jij hebt geprofeteerd hij heeft geprofeteerd wij hebben geprofeteerd jullie hebben geprofeteerd zij hebben geprofeteerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik profeteerde jij profeteerde hij profeteerde wij profeteerden jullie profeteerden zij profeteerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geprofeteerd jij had geprofeteerd hij had geprofeteerd wij hadden geprofeteerd jullie hadden geprofeteerd zij hadden geprofeteerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal profeteren jij zult profeteren hij zal profeteren wij zullen profeteren jullie zullen profeteren zij zullen profeteren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geprofeteerd hebben jij zult geprofeteerd hebben hij zal geprofeteerd hebben wij zullen geprofeteerd hebben jullie zullen geprofeteerd hebben zij zullen geprofeteerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou profeteren jij zou profeteren hij zou profeteren wij zouden profeteren jullie zouden profeteren zij zouden profeteren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geprofeteerd hebben jij zou geprofeteerd hebben hij zou geprofeteerd hebben wij zouden geprofeteerd hebben jullie zouden geprofeteerd hebben zij zouden geprofeteerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
profeteer
|